Beschrijving Bruggenhoofd Gent.
De bouw van Bruggenhoofd Gent als onderdeel van de Belgische fortificatiepolitiek.
De Bouw van Bruggenhoofd Gent was maar een klein onderdeel van de ganse fortificatiepolitiek die plaats had over het ganse Belgische grondgebied. U krijgt hier een chronologisch overzicht hoe deze fortificatie verliep voor België vanaf eind jaren '20 tot de hel losbarstte in mei 1940.
In 1920 sloot België een verbond met de Franse legerstaf zodanig dat Frankrijk het Belgische leger zou bijstaan, mocht het Duitse leger niet uitgelokt door België, het land binnenvallen.
Tijdens de verdragen van Locarno waar naast België ook nog Engeland, Frankrijk, Duitsland en Italië deelnamen, had België met zijn beperkte legermacht aangeboden Frankrijk bij te staan mocht het aangevallen worden door Duitsland en omgekeerd aan Duitsland mocht het aangevallen worden door Frankrijk. In deze periode dienen ook de eerste plannen voor renovatiewerken en moderniseringen te worden gesitueerd aan de reeds bestaande Belgische fortificatiewerken.
Militaire commissies beslisten tussen 1926 en 1927 om de bestaande forten rond Luik, Namen en Antwerpen te moderniseren en te herstellen. Vele van de forten droegen nog zware sporen van de gevechten van WO I. Bijkomend zouden een aantal aanpassingen gebeuren, vooral bedoeld om leefomstandigheden in de forten te verbeteren. De forten waren ook totaal niet bestand tegen oorlogsgassen en de vast opgestelde artillerie en communicatiesystemen waren sterk verouderd. De onderlinge verbindingen tussen de forten dienden zoveel mogelijk afgesloten worden.
Kort nadien bleek gans Europa ten prooi te vallen van een zware crisis. Er was veel werkloosheid en nood aan grote bouwprojecten. Daarom werd er onder andere ook in deze periode begonnen met het graven van het Albertkanaal tussen Luik en Antwerpen.
In 1928 werd voor de eerste keer het idee opgeworpen voor de bouw van Bruggenhoofd Gent als nieuw Reduit National. In deze plannen was nog geen sprake van een bunkerlinie maar een reeks van grote forten met daarbij een aantal overstromingsgebieden.
Zoals in zovele economische crisissen, bloeide ook in deze periode her en der in Europa het Nationalisme op. Duitsland weigerde geleidelijk aan te voldoen aan zijn verplicht opgelegde beloftes, voortvloeiend uit zijn nederlaag tijdens WO I.
In 1929 startte de modernisering van de Luikse forten en nog twee forten op de linker oever.
In december 1929 besloot de Franse regering tot de bouw van de Maginotlinie, dit met het oog op de ontruiming van het Duitse Rijnland het jaar nadien.
In 1930 volgde de modernisering van de Naamse forten. Ook werd er aanbevolen nog 4 nieuwe forten te bouwen zo een 5 a 8 kilometer meer oostwaarts van Luik. Dit zouden de bijkomende forten van Neufchâteau, Battice, Tancrémont (Pepinster) en Sougné-Remouchamps worden.(Het laatste fort werd uiteindelijk nooit gebouwd).
Er werden bijkomende verdedigingslijnen voorzien langs het kanaal Maastricht-'s Hertogenbosch, het verbindingskanaal Maas-Schelde en het Albertkanaal. Ook aan de oostgrens van België werden de nodige veiligheidsmaatregelen getroffen. Deze bestonden die hoofdzaak uit voorbereidende werken om ten tijde van een aanval zeer snel zware vernielingswerken te kunnen aanrichten langs noodzakelijke doorgangswegen. Dit zou dan een opmars van vijandelijke troepen sterk moeten vertragen. Al deze werken waren afgewerkt tegen eind 1935 maar dan al beseft men dat al deze werken grotendeels al achterhaald en ontoereikend zouden zijn.
Eind 1931 bestonden er reeds vergezette plannen over de bouw van de eerder voorgestelde forten van Bruggenhoofd Gent.
Op 1 april 1932 startte de bouw van het gigantische en als oninneembare fort beschouwde, Eben-Emael. Dit zou de opening van Lixhe dienen af te grendelen. Dit was ook bij de Duitse opmars in Wereldoorlog I, reeds een zwak punt gebleken.
Nog in hetzelfde jaar startte men met de bouw van 3 van de 4 voorgestelde nieuwe forten meer oostwaarts van Luik. Er werd eveneens 20 miljoen Belgische frank uitgetrokken voor de onteigeningen en de bouw van bunkers van Bruggenhoofd Gent. Op dit moment was dus wel definitief de beslissing genomen voor de bouw van een bunkerlinie en niet een aantal grote forten. Dit bedrag werd onttrokken uit een totaal voorzien bedrag van 759 miljoen voor de fortificaties op Belgisch grondgebied. De Bunkergordel Bruggenhoofd Gent zou uiteindelijk moeten dienen als een laatste zeker te houden verdedigingslinie tegen een vijandelijke inval (= het Reduit National).
De fortificatiepolitiek in Europa, en zeker ook in België kent nog een extra boost als op 30 januari 1933 Adolf Hitler Rijkskanselier wordt in Duitsland.
In 1933 werd een bijkomende bunkergordel gebouwd rond de stad Luik. Deze bunkers moesten dan de reeds bestaande grotere forten met elkaar onderling gaan verbinden. Nog datzelfde jaar op 14 oktober, trekt Duitsland zich terug uit de Volkerenbond en werden eerdere ontwapeningsakkoorden opgezegd. Deels als reactie hierop werd in België het 10e Linieregiment, dat gevestigd was te Aarlen, omgevormd tot een soort elitekorps. Dit elitetroepen werden de Ardeense Jagers genoemd. In deze periode werden ook de eenheden Grenswielrijders gevormd te Luik en Limburg.
Op 17 februari 1934 begon voor het Belgische koningshuis een rumoerige periode. Op deze datum overleed plotseling koning Albert I. Hij lag tevens aan de oorsprong van het bestaande Frans-Belgische bondgenootschap om elkaar militair bij te staan. Dit omvatte de mogelijkheid om troepen in elkaars grensgebieden toe te laten. Door dit onverwachte overlijden kwam vroeger dan verwacht Leopold III aan de macht.
In 1934 plant men in België de bouw van een dekkings- en weerstandsstelling die zou lopen van Antwerpen tot aan de Franse grens toe. Dit omvatte dus ook grotendeels wat later de fameuze KW-linie zou worden, van Franse kant beter gekend als de Dijlestelling.
Ten zuiden van Gent startte de bouw van een verdedigingslinie van Gent, "Bruggenhoofd Gent". Het was in die tijd nog beter bekend onder zijn Franse naam "Tête de Pont de Gand". De originele plannen voor de bouw van de forten waren intern op zoveel tegenstand gestoten omdat de bouw ervan ook een grote waardevermindering op de gronden met zich zou meebrengen. Dit nog merkelijk meer dan bij het onteigenen omwille van de bouw van kleinere bunkers. Daarom viel de uiteindelijke keuze op een bunkergordel. Het doel van Bruggenhoofd Gent was naast Reduit National in eerste instantie de verdediging van Gent en zo onrechtstreeks, maar veel belangrijker, de bescherming van Antwerpen. De eerste onteigening voor de bouw vonden plaats in oktober 1934 en zouden doorlopen tot half 1936. De bouw van de bunkers zou in het algemeen plaatsvinden binnen de 8 maanden volgend op het onteigenen van de gronden, alhoewel op verschillende plaatsen deze deadline niet gehaald zou worden. De bouw van de bunkerlinie werd in eerste instantie uitbesteed aan zes verschillende bouwfirma’s.

(Herwerkte kaart Bruggenhoofd Gent met alle bouwprojecten van de bouwfirma's A tot F)
In een tweede fase vond men dat hier en daar de verdedigingslinie iets te zwak was. Er werden nog een aantal nieuwe bijkomende projecten toegevoegd, vooral op de achterlinie van het bruggenhoofd. Ook werd te Moortsele de zware bunker A30 gebouwd langs de spoorlijn Gent-Geraardsbergen. Dit project werd uitbesteed aan de bouwfirma G.

(Het volledige Bruggenhoofd Gent, inclusief bouwproject G)
De bunkergordel ter verdediging van Gent lag uiteindelijk verspreid over het grondgebieden van twintig verschillende gemeentes, namelijk Kwatrecht, Melle, Gijzenzele, Gontrode, Oosterzele, Scheldewindeke, Landskouter, Moortsele, Lemberge, Bottelare, Munte, Baaigem, Vurste, Schelderode, Melsen, Gavere, Semmerzake, Eke, Nazareth en Astene. De gordel verbond de Schelde te Kwatrecht met de Schelde te Semmerzake, om dan verder te lopen van de Schelde te Eke tot aan de Leie te Astene. De volledige bouw moet afgewerkt geweest zijn eind 1936, begin 1937.
Op 16 maart 1935 verwerpt Duitsland de militaire land-, zee- en luchtbeschikkingen die het na WO I was opgelegd via het verdrag van Versailles. Duitsland voert ook opnieuw de verplichte legerdienst in van 1 jaar en richt een militaire luchtmacht op. Hierdoor kreeg Duitsland op slag weer een leger van 500.000 soldaten. Dit betekende dus een herbewapening van Duitsland wat dan ook een regelrechte aanfluiting was van de maatregelen die Duitsland opgelegd had gekregen meteen na de nederlaag van de Eerste Wereldoorlog.
Op 7 maart 1936 gaf Hitler de opdracht de veiligheidszone tussen Duitsland en zijn directe buurlanden, het Rijnland, opnieuw militair te gaan bezetten met een indrukwekkende Wehrmacht van 300.000 man. Ze verwerpen hiermee volledig de overeenkomst van Locarno. Indien Frankrijk wilde overgaan tot een herbezetting van het Rijnland, zou het verplicht zijn eveneens over te gaan tot een algemene mobilisatie. Dit achtte Frankrijk onmogelijk, amper zes weken voor de verkiezingen. Frankrijk besloot met de middelen die het had zijn eigen grenzen te versterken en keek uit naar een reactie van Engeland. De Engelsen zagen de Duitse troepenbewegingen aan als een ver-van-hun-bedshow en lieten uiteindelijk Duitsland oogluikend begaan.
Op 25 maart 1936 werd een gemeenschappelijke Belgisch-Franse commissie opgericht die de werkelijke militaire situatie ging bekijken in geval van een mogelijk Duitse inval. Men kwam er tot onderstaande besluiten:
- De meest waarschijnlijke aanvalskant zou komen doorheen Nederlands Limburg. Daarom drong de afwerking van het Albertkanaal zich op.
- Er was dringend de bouw van een dekkingsstelling tussen Aarlen en de nog niet gerenoveerde Antwerpse forten nodig (= onder andere de KW-linie). Wel was er ondertussen het reeds afgewerkte stuk van het Albertkanaal met langs de oevers vele bunkers, de Maas met versterkte fortengordels rond Luik en Namen. In Vlaanderen was er een nationaal bolwerk gevormd door de lijn kanaal Gent-Terneuzen, de bunkergordel Bruggenhoofd Gent en de Bovenschelde.
- De dienstplicht in België werd opgedreven tot 12 maanden voor de soldaten en tot 18 maanden voor de cavalerie.
In april 1936 werd een grote som geld vrijgemaakt voor het uitbouwen en organiseren van het militaire systeem. Er werd geld voorzien voor:
|
Belgische Grenswielrijders - (foto: Replica) |
|
- Het installeren van de Ardeense Jagers en de Grenswielrijders nabij de Frans-Duitse grenzen.
- Het algemeen versterken van de grenzen.
- De oprichting van een nieuw 14e Linieregiment.
- Het oprichten van 6 reserve infanteriedivisies.
- Zorgen voor bijkomende artillerie-eenheden.
|
|
Op 14 oktober 1936 hield de toenmalige vorst Leopold III een belangrijke toespraak tijdens een zitting van de Ministerraad. Hij wees er hierbij op dat er een zware militarisering in gans Europa lopende was. Zelfs vredelievende landen als Nederland en Zwitserland bleken er aan mee te doen wat toch de onrust volgens hem duidelijk liet merken. Merkwaardig genoeg wees hij zelfs binnen deze toespraak al op het risico van nieuwe oorlogstechnieken waarbij luchtmacht een zeer belangrijke rol zou kunnen spelen. Er werd specifiek gevraagd bijkomende inspanningen te doen ter verdediging van het luchtruim en het vervolledigen van de bestaande en in uitbouw zijnde verdedigingsstelsels. Ook moest dringend het actuele systeem van dienstplicht herbekeken worden. Hij wees er ook op dat het van belang was militair te kunnen weerstaan aan al onze buurlanden om hen te laten ontzien van een poging ons land onder de voet te lopen of te gebruiken als doorsteek naar andere van onze buurlanden. Hij vroeg ook een politiek te voeren als kleiner land waarbij wij onszelf zouden onthouden van mogelijk onderlinge conflicten van grotere buurlanden. Dit is letterlijk een aanzet naar de politiek die op dat moment reeds werd gevoerd door landen zoals Nederland en Zwitserland. Een politiek van neutraliteit naar het buitenland toe. Terug naar het systeem van voor WO I dus. Hij maakte zelfs reeds een voorspelling die ondanks alle gemaakte militaire inspanningen jammer genoeg in mei 1940 is uitgekomen: "Een min of meer onverwachte aanval zou in enkele uren belangrijke punten kunnen veroveren en onvoorwaardelijk het belangrijkste gedeelte van onze strijdkrachten buiten werking stellen."
Op 30 januari 1937 verklaarde Hitler deze Belgische onafhankelijkheid te zullen respecteren.
Op 24 april 1937 komt de Frans-Britse verklaring schoorvoetend tot stand. Dit betekende meteen het volledige einde van het eerdere Locarno verdrag. Zo erkenden ze het Belgische grondgebied niet te zullen gebruiken voor eventuele aanvallen op andere buurlanden van België. Wel bevestigden ze België ter hulp te komen bij een eventuele schending van zijn neutraliteit. Ook viel de verplichting van het kleine België weg om bij een aanval van Frankrijk of Duitsland aan elkaar, het aangevallen land militair bij te staan.
Als gevolg van deze nieuwe verdragen kwam België terug in zijn toestand van voor de Eerste Wereldoorlog en keerde terug naar een status van neutraal land. Dit had tevens ook tot gevolg dat geen enkele Franse of Britse soldaat de Belgische grens mocht overschrijden tot op het ogenblik dat Hitler's troepen België echt zouden binnentrekken. Een bijkomend risico dat het Belgische leger hierdoor zou kennen, is dat het als vrij kleine legermacht, zou moeten proberen een frontlijn van +/-200 km, proberen verdedigen tot eventuele geallieerde hulp zou komen opdagen.
In 1937 startte ook nog de bouw van een bunkerlinie met bijhorende antitankhindernissen gericht op Frankrijk. Dit om de toestand van Belgische neutraliteit naar de buitenwereld geloofwaardiger te maken. Deze linie werd in in de loop van de winter 1938-1939 afgewerkt. Dit is de bijkomende, nooit gebruikte, linie tussen Waver en Ninove.
September 1938, neemt de oorlogsdruk in Europa met rasse schreden toe. Duitsland dreigt naar Tjechoslowakijke met een oorlog indien zij Sudetenland niet aan Duitsland krijgen toegevoegd. Dit was een grensgebied tussen Duitsland en Tjechoslowakije met een Duitse meerderheid van bevolking.
In België wordt als reactie op deze dreiging op 27 september 1938 een eerste maal een grote mobilisatie afgekondigd. Er werd gemobiliseerd in twee fasen.
 |
(Jagers te Voet bij de eerste Mobilisatie in 1938 - Foto: Replica) |
|
- Eerst riep men de laatste 5 klassen op, samen met degenen die toen reeds onder de wapens waren. Met deze klassen ging men de eenheden samenstellen voor de eerste lijn. Dit wil meer in detail zeggen de 12 Infanteriedivisies en de twee divisies Ardense Jagers, 2 divisies Cavalerie, 1 brigade Cavaliers Portés (lichte pantserwagens), de troepen die voorzien werden voor de bezetting van de verschillende forten en de bedieners voor de zware artillerie.
|
|
- In een tweede fase werden de 6 Reserve Infanteriedivisies opgeroepen, net als de troepen met speciale opdrachten zoals bv de medische diensten.
Op 28 september hadden praktisch alle wederopgeroepenen hun rangen vervoegd. Echter na deze eerste algemene mobilisatie bleken zich heel wat problemen te stellen:
- Er was een groot tekort aan onderofficieren. Sommige divisies hadden er maar 1/3 van het voorziene aantal.
- Door gebrek aan leiding deden de herbergen gouden zaken.
- Er waren ongeveer 50% paarden te kort.
- Er ontbrak nogal wat materieel.
Op 29 september rond 14 uur vertrokken de verschillende eenheden naar hun respectievelijke stellingen. Deze stellingen werden op 30 september allen voorzien van de nodige munitie.
Vermoedelijk dateren beide foto's hieronder ook uit deze periode. De exacte datum van het nemen van de foto's ontbreekt maar ze spreken beiden over 1938. Op beiden is te zien hoe koning Leopold III en koningin Elisabeth een bezoek brengen aan de linies van de Belgische troepen opgesteld aan Bruggenhoofd Gent.
|
Twee foto's van het koninklijk bezoek aan de bunkerlinie Bruggenhoofd Gent, eind 1938. Links het bezoek aan de Belgische troepen te Semmerzake (Foto: Collectie A. De Smet) - Rechts het bezoek aan de troepen te Bottelare (Foto: Collectie A. Lemmens) |
|
|