De herbestemming van de bunker in het Citadelpark te Gent, door de Civiele Bescherming - 1947 tot 1993.

Citadelpark Gent

Buskruitfabriek Cooppal Wetteren

Vliegvelden WO I Regio Gent

WO I Munitiepark Kwatrecht

De Dodendraad

De Hollandstellung - Duitse WO I bunkerlinie

Reichsschüle Flandern - SS-School Kwatrecht

Duitse Atlantic Wall Radarpost - Goldammer

WOI en II Munitiedepot De Ghellinck Zwijnaarde

Duitse gangen onder centrum Gent WOII

Publieke WOII Schuilplaatsen Groot Gent

Het Fort van Eben Emael

KW-linie

WO I - Kwatrecht - Melle

18 daagse veldtocht gekoppeld aan TPG

Neergestorte B17 te Kwatrecht 19-09-1944

De bevrijding WO II van de regio rond TPG

Details van de legers:

Gesneuveldenlijsten:

Contact en onbeantwoorde vragen

Media-aandacht

Copyright

Links

Het militaire verleden van het Gentse Citadelpark

Hergebruik van de bunker door de Civiele bescherming

Na de bevrijding bleef de bunker, zoals reeds gemeld, enkele jaren als een uitgebrande ruïne achter, net zoals het bijhorende toegangschalet en het Chalet Suisse dat eveneens een 50 tal meter achteruit uitgebrand in het bos stond.

In de daaropvolgende periode trof de stad Gent alvast een beperkt aantal maatregelen om de uitgebrande structuren iets of wat te vrijwaren en veilig te stellen tegen verder verval. Daarnaast diende dit ook te gebeuren omdat het park nog altijd een publieke functie had en de structuren dus vrij bereikbaar waren:

  • De deels vernielde toegangscomplexen in het park tussen bunker, Amfitheater, Norbert Rousseaulaan en Leopoldlaan, werden allen voorlopig dichtgemetst wegens instortingsgevaar.
  • De ramen en deuren van het uitgebrande toegangschalet van de bunker werden dichtgemetst.
  • Ook het trapgat zou voorlopig dichtgelegd zijn geweest en er wordt melding gemaakt van 2 nieuwe metalen deuren om de bunker toch te vrijwaren van ongewenste bezoekers in zijn uitgebrande staat. Toch wil ik bij dit laatste melden dat Mr Ghislain Mineur als jong kind ooit heeft geprobeerd de interne bunker te bereiken na de bevrijding. Deze meldde alvast dat ze ooit tot bij de zware gepantserde deuren geraakten maar dat daar hun verkenningstocht telkens eindigde omdat ze de op kieren gezetten zware gepantserde deuren, geen mm konden bewegen. Dit moet dus ooit nog plaats gevonden hebben voor de stad Gent de structuren toch beperkt heeft afgesloten.

Op datum van 13 Juni 1947 kan een bezoekverslag teruggevonden worden aan de locatie van de bunker in het Citadelpark met als aanwezigen:

  • Schepenen Stad Gent: Oosterlinck, Verhelst en De Groote.
  • Ingenieur dienstoverste stadsgebouwen: Marcel Storm
  • Verantwoordelijke Plantsoendienst Gent: Bruyneels
  • Architect, afgevaardigde Burgerlijke veiligheid Brussel: Gavache
  • Provinciaal commissaris Burgerlijke Veiligheid: R. Bauw
  • Provinciale Luchtbescherming: G. Noyette

De bedoeling van het bezoek was kijken in welke mate het mogelijk zou zijn, de voormalige uitgebrande bunker en chalet in het Citadelpark opnieuw in gebruik te kunnen stellen voor de Civiele bescherming. Bijkomend zou uitsluitsel dienen te worden gemaakt wie welke werken zou uitvoeren en vooral wie ze zou betalen.

Ter bespreking kwamen:

  • Mogelijkheden om de bij de bevrijding in brand gestoken bunker en toegangsgebouw opnieuw operationeel te maken.
  • Mogelijkheden tot hergebruik van de in directe nabijheid aanwezige kazematten van de oude Citadel. In hoofdzaak zal dit dus betrekking hebbeb gehad op de kazemat die ooit onder het Chalet Suisse stak als koele ruimte maar tot op dat moment zeker niet verbonden was met de bunker zelf. Deze was dan later gebruikt als schuilplaats door de Duitse bezetter.
  • Eventueel opnieuw in gebruik stellen van de nog aanwezige maar eveneens zwaar beschadigde gangenstelsels tussen de bunker en het Amfitheater.

Deze werken werden alvast in uitvoering gezet kort na deze bespreking

  • De ingang van de schuilstructuren die bereikbaar was via de orkestbak in het amfitheater, in de sokkel van het vroegere beeld van Prometheus, werd afgesloten met een metalen deur. Allicht zat deze aan de kant van de orkestbak (is niet 100% duidelijk).
  • De bestaande scheidingswand in deze orkestbak, zou door de stad Gent hoger opgetrokken worden. Het nut hiervan is voorlopig ook mij onduidelijk. Mogelijks was dit om verder afkalven van grond te voorkomen omdat het terrein wel degelijk opgehoogd geweest is aan de achterzijde van deze orkestbak na de bevrijding.
  • Het vrij massaal in de buurt aanwezige afval zou door de stad Gent geruimd worden om de structuren opnieuw beter bruikbaar te maken.
  • Het dubbele toegangscomplex langs de Leopold II laan en het toegangscomplex bovenaan het amfitheater zullen door de stad Gent worden gesloopt.
  • Het toegangscomplex in de Norbert Rousseaulaan (was reeds voorlopig dichtgemetst) zou aan het zicht worden onttrokken door middel van bloembakken en beplantingen.
  • De betonnen blokken die eerder waren gebruikt om de trappengallerij van de bunker af te dichten, zullen worden verplaatst om na het slopen van de bovengrondse schouwen van de bunker, de gaten die hierdoor in de ondergrond zullen ontstaan, voorlopig te dichten. Deze schouwen zouden toen allen afgelaagd worden tot een 30 cm onder het maaiveld van toen (In praktijk is dit alvast niet zo uitgevoerd geweest). Ze werden afgelaagd maar niet zo laag dan eerst voorgesteld.
  • Herropbouw van het toegangschalet van de bunker volgens een nog te ontvangen bouwplan.
  • De afgebroken schouwen zullen daarna opnieuw opgetrokken worden tot een hoogte van 4.5 meter. Hierbij behoort 1 grote dubbele schouw die bovenaan met elkaar werd verbonden.
  • Het toegangscomplex naar de kazemat van het chalet Suisse wordt afgebroken.
  • De nog aanwezige schuilcomplexen dienen verder opgevuld te worden. Dit zal allicht gebeurd zijn in de mate dat deze vrij waren bij het wegbreken van de bijhorende complexen. Of dit zeer volledig zal zijn gedaan, valt te betwijfelen.

Op datum van 22 augustus 1947 vindt men in lijsten van uit te voeren stedebouwkundige werken in het Gentse, vindt men onderstaande tekst terug die slaat op de effectieve uitvoering van bovenstaande werken.

"Afbraak van luchtbeschermingswerken in het stedelijk Park en herstel der plaatsen in hun oorspronkelijke toestand. Afbraak der complexen 1 tot 6 en de zes luchtschouwen, tot 30 cm onder grond . Complexen 1 tot 6 bestaan hoofdzakelijk uit twee zijmuren in baksteenmetselwerk, 2 ½ steen dik ‘46cm) en bedekt een gewapende betonplaat van 30cm dik. Als wapening werden denkelijk oude rails gebruikt. Overbrengen van de hoop grond gelegen op de sintelweg der Leopoldlaan naar boven op de naast gelegen heuvel, en het uitspreiden ervan op en rondom de plaats waar zich vroeger de Chalet Suisse zich bevond."

Bovenstaande tekst spreekt op onderstaand plannetje dat indertijd door Mr Ghislain Mineur meer begrijpbaar werd gemaakt. (Originele schets: Stadsarchief Gent, aangevuld door Mr Ghislain Mineur)

Op bovenstaande schets zie je de verschillende toegangscomplexen, zonder veel detail van de bijhorende gangenstelsels getekend. (Schets : Collectie G. Mineur)

Op de schets hierboven werd het uitgeschrevene meer gepoogd om het iets visueler te maken. Uit de tekst valt duidelijk op te maken dat de 6 te slopen structuren de toegangen van de gangenstelsels in het park betroffen die tussen bunker en amfitheater aanwezig waren. Het te slopen nummertje 6 is de ruïne van het Chalet Suisse, bovenop de kazemat. De aard van de beschreven structuren wijst ook vrij duidelijk op Duitse bouwwerken die in dergelijke structuren vrij courant rails van spoorwegen en tramlijnen gebruikten.

Men heeft toen wel degelijk al deze originele betonnen schouwen afgebroken maar zeker niet tot 30 cm onder het maaiveld. Allicht eerder 50 cm erboven. Deze zullen sowieso beschadigd geweest zijn omdat ze bij het Duitse vertrek gedynamiteerd werden om de bunker onbruikbaar te maken. Heden zie je duidelijk dat de schouwen onderaan nog uit gewapend beton zijn en de bovenkanten volledig opnieuw werden opgemetst.

Zelfs de schouw C4 is op die manier aangepast geweest ondanks dat deze nog altijd de indruk geeft nog volledig origineel te zijn. De bovenzijde is ondertussen ook wel degelijk alleen nog baksteen. Allicht is ze wel nooit gedynamiteerd geweest. Dit verklaart waarom alle huidige zichtbare schouwen enkel nog in baksteen zijn behalve de onderste halve meters. Uit het tekstje mogen we ook besluiten dat gans het terrein achter de bunker met overtollige grond deels is opgehoogd. Dit zou er dus ook de oorzaak kunnen van zijn dat bijvoorbeeld de sokkel van het verdwenen beeld van Prometheus zo diep in de grond blijkt te zitten. (Schets: Collectie G. Mineur)

Links: De schouw die allicht nog altijd vrij identiek is langs het pad naar het amfitheater. Nochtans is ook de bovenzijde hiervan enkel nog baksteen. Op de achtergrond zie je ook duidelijk nog het uitgebrande toegangschalet van de bunker (Foto: Stadsarchief Gent) - Rechts: Een zeldzame foto van het verbouwen van het chalet na de brand (Foto: Collectie Ghislain Mineur)

Deze foto hiernaast wil ik jullie zeker niet onthouden. Deze stond ooit in "La Derniere Heure" en "La Libre Belgique" van 4 juli 1947.

Het toont Mr Marcel Carré die zich aanbood om met een touw aan de voeten en met het hoofd naar beneden, de afgelaagde schouwen van de bunker te ruimen van obstakels. Deze schouwen waren intern maar 40 cm breed. Hij deed dit met hulp van een emmer en haalde op die manier het in die schouwen gevallen puin door het dynamiteren naar boven. Zijn tochten naar de ondergrond duurden op deze manier maximaal 3 minuten per keer.

(Foto: de eerder genoemde kranten, stond in beiden)

Voor het opnieuw in gebruik nemen van de bunker door de Civiele Bescherming, zou de structuur alvast heel wat aanpassingen dienen te ondergaan. Vergeet niet dat de bunker ooit volledig uitbrandde. Er hoeven dan ook geen tekeningetjes bij gemaakt dat de ganse bunker aan de binnenkant zo goed als waardeloos moet zijn geweest voor wat elektriciteit, ventillatiesysteem, verwarmingssysteem, de stroomgroep, motoren, pompen,... moet aangegaan hebben. Merkwaardig genoeg moet allicht de originele telefoniekamer deze brand overleefd hebben, gezien daar nog altijd zaken te vinden zijn die origineel moeten zijn van toen en nooit kunnen vernieuwd zijn.

Allicht zijn alle betonnen wanden ook zwaar aangeslagen van roet achtergebleven. dit verklaart dan ook waarom alle wanden in dit laatste concept bekleed zijn geweest met panelen en er nergens nog het bloot beton te zien valt.

Uiteindelijk werd de bunker na uitgebreide renovatiewerken opnieuw in gebruik genomen door de dienst Passieve luchtbescherming. Ondertussen zijn we in het tijdperk van de koude oorlog aanbeland. De hoofdfunctie van de bunker werd vanaf toen een commandopost voor het burgerlijke detectienet voor radioactiviteit.

Hoe de bunker in deze eerste periode van hergebruik werd benut is nog vrij onduidelijk. Allicht werd de bunker op dat moment origineel in gebruik genomen zonder eigen stroomgroep, zodanig dat deze volledig werkte qua stroomvoorziening op elektriciteit van het Gentse stadsnet.

Allicht dient pas rond begin 1950 - 1951 het plaatsen van een zware Diesel-stroomgroep in de bunker gesitueerd te worden. Deze werd geplaatst in de kazemat onderaan de trappenhall en stond op dat moment dus letterlijk buiten de bunker. De op dat moment in gebruik genomen stroomgroep is een 6 cilinder stroomgroep van het merk Lister gekoppeld aan een eigen verdeelschakelbord. Dit maakte dat deze dieselstroomgroep in feite letterlijk als een stroomopwekker in feite kon geschakeld worden zodat hij zelfs stroom op het stadsnet zou kunnen bijsteken hebben. Dit was op dat moment echter zeker niet de bedoeling van deze zware stroomgroep. De hoofdbedoeling was om in nood de bunker van stroom te kunnen blijven voorzien, mocht het stadsnet wegvallen.

De stroom werd dan vanuit deze kazemat doorheen de wand van de bunker doorkapt doorheen de betonnen wand van 130 cm dik. Daar kwam deze dan uit in de kleine ruimte achter het toegangssas, voor de telefoniekamer. Dit is een aanpassing die er 100% zeker zal voor gezorgd hebben dat deze bunker niet 100% meer gasdicht kan geweest zijn.

Een leuke bedenking bij deze zware logge stroomgroep is dat deze ooit in kleinere onderdelen opgesplitst naar beneden moet zijn gebracht via de huidige toegangstrap. Dit is trouwens het geval voor alles dat je heden, hoe zwaar en hoe groot ook, in die bunker nog kan zien staan. Men heeft er zeker het dak nooit afgenomen om nieuwe zaken in de bunker te plaatsen. Allicht verklaart dit ook de zware deuken die hier en daar zichtbaar zijn in trapneuzen van de trappen naar de ondergrondse bunker toe.

Allicht heeft deze zware stroomgroep zijn laatste keren effectief gedraaid en dienst gedaan in de periode 1988-89.

Eind 1967 was de situatie ook in België blijkbaar ernstig genoeg zodat er dan plannen opduiken om de bunker nog massaal te gaan vergroten. Vergeet niet dat we rond die periode op een top zitten in wat betreft de koude oorlog. Deze kende op die momenten reeds een verdoken oorlog ten velde met de Vietnamoorlog.

De vergroting die we dan voorgesteld zien, betreft specifiek niet alleen het meten en coördineren van de opvolging van radio-activiteit maar zeker ook het behandelen en opvangen van slachtoffers ervan.

Dit zijn alvast de kleine verschillen die hierboven al kunnen worden vastgesteld ten opzichte van voorheen (Origineel Belgisch en daaropvolgend Duits concept) van de bunker zelf.

In grote lijnen blijft de bunker opgedeeld in een 5 tal betonnen banden in de breedte van de structuur.

  • Volledig bovenaan omvat dit een sas en de telefoniekamer
  • 2 grotere ruimtes
  • Opnieuw een sas met toegang tot een nooduitgang en de vroegere technische ruimte waar de stroomgroep stond.
  • Aan deze technische ruimte was origineel een kleine ruimte gekoppeld die vroeger diende voor de benzine-opslag voor de stroomgroep, wat werd omgebouwd tot een sanitaire ruimte.
  • De 2 overige aansluitende ruimtes waren enerzijds links de pompenkamer en rechts de originele ruimte voor de koeling van de stroomgroep en de debietregeling van de ventillatie. Heden werd dit 1 grotere ruimte.

Dit is de uitleg die past bij elk van bovenstaande nummers deel uitmakend van de bunker zelf. Dit is allicht ook nooit integraal zo toegepast geweest.

  • De nummers (1-8) ontbreken hier omdat dit ruimtes zijn die bij het toegangschalet horen en die schets ontbreekt op dit moment.
  • (9) is de trappenhall die enerzijds aansluit met (10) inkom en sas van de bunker
  • (23) staat omschreven als een bureel. Hier bevindt zich heden een stroomgroep en kast voor het regelen van de elektriciteit. Die functie zal die kazemat dus nooit gehad hebben in praktijk.
  • (11) is de kleine ruimte direct achter het toegangssas dat wordt omschreven als secretariaat.
  • (12) is net zoals heden ten dage nog altijd de telefoniekamer. Er blijken toen wel nog aan elke zijde van de kamer 5 telefooncellen te zijn wat afwijkt van de huidige situatie.
  • (13) is een ruimte over de ganse breedte van de bunker en bevat zowel de NBC ruimte (ruimte waar de opvolging gebeurt van eventuele Nucleaire, Biologische en Chemische bedreiging) en de Operationroom. Als er nog enige link is met de huidige situatie, bevind de Operationroom (A) zich allicht links en de NBC ruimte zich rechts (B)
  • (14) is opnieuw een ruimte over de volle breedte van de bunker is de operationele zaal van de bunker.
  • (15) is opnieuw een kleiner sas naar het vroegere technische gedeelte van de bunker. Dit staat hier omschreven als de rustkamer.
  • Deze gaf enerzijds links uit op (20) omschreven als doorgang, aansluitend op (21) een sas dat aansloot op (22) een nooduitgang.
  • Vanaf (15) de rustkamer, kwam men ook in (34) omschreven als Doorgang. Hier stond in het origineel Belgische en Duitse concept de benzinestroomgroep die blijkbaar toen alvast niet meer aanwezig was. Bij deze doorgang sloot ook (36) aan, het bureel van Gouverneur.
  • De huidige pompenkamer was toen ook nog zoals origineel in 2 ruimtes opgedeeld. Hier moet ook op dat moment alvast ook nog het ventillatiesysteem deels gezeten hebben in combinatie met een deels nieuwe functie. Ruimte (17) wordt opnieuw omschreven als Secretariaat van de Gouverneur. Ruimte (18) was allicht buiten ruimte voor de ventillatie ook deels een administratieve ruimte.
  • Ruimte (19) waar origineel de opslag was van de benzine voor de benzine-stroomgroep werd deels sanitair en magazijn

Op onderstaand plan zie je dan de rest van de bunker met zuidelijk ervan nog een zeer grote uitbreiding. De bunker zou in de vroegere ruimte van de stroomgroep verbonden worden met de nieuwe te bouwen structuur.

De bunker zou in dit concept zijn functie blijven uitoefenen van opvolging van de radio-activiteit in Oost-Vlaanderen. Het bijgebouwde gedeelte zou dan specifiek dienen voor het opvangen van radio-actief besmette personen.

Dit zijn dan de verdere ruimtes in de bij te bouwen structuur, vertrekkend vanaf de doorgang doorheen de wand van 1,30 m gewapend beton van de originele bunker.

  • De 3 ruimtes op de linker kant van deze gang waren respectievelijk (35) Secretariaat, (36) Bureel van de Gouverneur en (37) de Administratie. De ruimte achteraan deze gang (38) was het Magazijn.
  • De ruimte direct rechts van dezelfde gang (39) staat aangeduid als Pr. Cf waar ik ook de betekenis niet van weet.
  • Vervolgen we dan de gang naar rechts aan de bovenzijde, kom je respectievelijk tegen (40) Sanitair voor vrouwen, (41) Sanitair voor mannen, (42) Keuken en reservekamer, (43) Refter en (44) Bureel.
  • De zuidkant van deze gang omvatte respectievelijk (45) Slaapkamer vrouwen, (46) en (47) Slaapkamers mannen.
  • Volledig achteraan had je nog ruimte (48) wat opnieuw een magazijn was.
  • Ruimte (55) bevond zich dan volledig op het uiteinde van deze gang en betrof de machinekamer, ventillatieruimte en de noodstroomgroep. Al deze zaken zouden dus op dat moment uit de bunker gehaald worden.

Voor dit laatste magazijn was er opnieuw een gang die zuidelijk liep. Links hiervan was een aaneensluiting van kleinere ruimtes. Dit waren de ruimtes die voorzien waren om in noodgevallen radio-actief besmet personeel te kunnen opvangen.

  • (54) Kleedkamer, (53) Stortbaden, (51) Uitkleedkamer, (52) Ruimte voor gecontamineerde kledij. Deze laatste was duidelijk sterk afgeschermd van al de rest.
  • In het verlengde van dit zuidelijk lopende gang, vind je ruimte (50) een zeer uitgebreid sas dat op zijn beurt uitgeeft op (49) ingang van de structuur bij het opnemen van radio-actieve mensen.

Al bovenstaande plannen, zijn bij plannen gebleven. Deze massale uitbreiding is nooit goedgekeurd geraakt. In 1973 zou er als reactie hierop een "zeer light versie" van het bovenstaande worden toegelaten als uitbreiding.

Wat men allicht niet verder heeft doordacht bij dit ontwerp, is dat dit allen zou komen te liggen waar zeker nog structuren van de Citadel in de ondergrond staken. Dit bijbouwen zou niet alleen een gigantisch graaf en betonneerwerk in de ondergrond betekend hebben maar ook opnieuw een serieus bijkomende sloping van structuren waar ook nu amper nog van geweten is wat er nog van bestaat en wat niet meer. Dit is het gedeelte van het park waar zeker nog restanten van Ravelijn 5 te vinden zijn die ooit bijkomend zijn gebruikt als vluchtgang.

Omdat bovenstaand concept financieel nooit werd goedgekeurd, werd in 1973 toch onderstaande aanpassing goedgekeurd. Tot op dat moment lag de bunker nog altijd volledig gescheiden van de kazemat van de Ravelijn 5-1 die ooit dienst deed als koele ruimte van het Chalet Suisse, en later tijdens de Duitse bezetting als Duitse schuilplaats. Om de bunker toch beperkt te laten uitbreiden werd op dat moment toelating gegeven beiden met elkaar te verbinden.

Hierboven alvast een schets van Ghislain Mineur van hoe beiden werden verbonden in 1973. Men diende dus in een bunker die op dat moment operationeel in gebruik was een doorsteek te maken. Zoals u kan zien, lagen ze wel enkele meters van elkaar verwijderd.

Dit maakte dat de uit te voeren werken zeker niet van de poes te noemen waren:

  • De aannemer diende dan ook in een bocht doorheen de buitenwand van de bunker te gaan die 1.30 m dik was en 5 dubbel gewapend.
  • Dit diende te gebeuren zonder dynamiteren omdat die optie teveel risico op schade inhield voor de nog in gebruik zijnde bunker. Alles diende dus manueel uitgeschoten te worden met handpikeurs.
  • Ook is het zeer onduidelijk in welke mate men toegelaten zal hebben de ganse bunker en de zone tussen bunker en kazemat vrij te graven. Mogelijks is heel veel van dat puin via de bestaande structuren, gangen en trappen, manueel naar buiten gehaald.

Origineel plan van de te maken doorsteek tussen bunker en kazemat. Je ziet dat het een echt breiwerk werd om vanuit de hoek van de zuidelijkste ruimte van de bunker, de verderop gelegen kazemat te bereiken. (Collectie Stadsarchief Gent)

Dat de werken geen sinecure waren, mag duidelijk zijn uit het feit dat slechts de 3e aangestelde aannemer (details wie dit was niet gekend), er in geslaagd is deze werken tot een goed einde te brengen. 2 van zijn voorgangers gingen failliet op dit aangenomen werk waar ze niet in slaagden het tot een goed einde te brengen.

Ook deze aanpassingen moeten zeker tot een uitbreiding van het bestaande verwarmings- en ventillatiesysteem hebben geleid. Ze zijn alvast ook gekoppeld aan de 2 kleine schouwtjes parallel met de kazemat van het Chalet Suisse.

De bunker krijgt op dat moment een extra nooduitgang, die in feite sterk aansloot met het vroegere toegangscomplex tot de schuilstructuur zoals deze van Duitse kant ooit werd gebruikt.

Links : Schets van hoe deze nooduitgang gekoppeld zit aan de kazemat onder het vroegere Chalet Suisse. Deze was vanaf toen verbonden met de bunker. (Schets: Collectie Ghislain Mineur)

Ook het ventillatiesysteem zoals nu nog altijd terug te vinden, dateert allicht ook uit deze periode. (Schets en foto's: Collectie Ghislain Mineur)

In 1976 duiken er opnieuw plannen op van een nooit aangepast iets. Zo was er toen sprake van de bunker nog beperkt aan te passen. Ditmaal zou er aan de zuidkant van de bunker een bijkomende garagebox aangesloten worden bij de bunker. Allicht zou dit al gemakkelijker kunnen uitgevoerd worden omdat er ondertussen toch al de doorsteek was naar de kazemat van het vroegere Chalet Suisse.

Toch is ook deze aanpassing nooit effectief uitgevoerd.

Op deze schetsen horende bij deze nooit uitgevoerde aanpassingen uit 1976 zie je links de garagebox die zou hebben uitgegeven op het Theodore Canneelpad. Op de schets links zie je linksboven de nog altijd bestaande nooduitgang heden terug te vinden bij de vuilwaterpompen in de bunker. Rechts een detail van deze garage op plan. (schetsen: Stadsarchief Gent)

In 1978 werd de verwarming in de bunker totaal vernieuwd en werd overgegaan naar een elektrische verwarming met thermostaten regelbaar in elke ruimte apart. Ook toen werd het ventillatiesysteem hiervoor mee aangepast.

In 1988 onderging de bunker nog een zware update. Dit omvatte zowel het toegangsgebouw als de interne structuur in de bunker zoals elektriciteit en ventillatie. Toch merkwaardig dat men zo kort voor de val van de Berlijnse muur nog zo intens bezig was de ganse structuur opnieuw te renoveren. Mijzelf blijft het verbazen dat men tot dan nog niets had zien aankomen van de komende veranderingen in het Oostblok.

De bovenste schets toont de ganse bunker met in detail het toen van toepassing zijnde ventillatiesysteem zoals aangepast in April 1988. Dit is trouwens ook de enige schets waar ook mooi de heden nog bestaande houten tussenwanden opstaan.

Het onderste plan toont meer specifiek alle ruimtes met hun toenmalige functie in de bunker.

We beginnen de beschrijving onderaan de trap. Links ziet u namelijk het detail van het chalet dat hieronder nog in detail wordt bekeken.

  • De Kazemat onderaan de trap wordt beschreven als de machinezaal. Hier bevindt zich ook de stroomgroep.
  • Het kleine kamertje direct na de toegang, is de Intercom. Hier bevond zich ook in die periode de alarmcentrale van de Civiele bescherming.
  • Deze sloot aan bij de telefoniekamer, omschreven als Transmissieruimte.
  • Rechtop de 2e toegang in de telefoniekamer loopt de gang. Deze geeft enerzijds uit op een ruimte (onderkant) omschreven als Commandozaal. Dit was een vergaderzaaltje. Aan de overzijde van deze gang bevond zich nog een kamer omschreven als de Tekenzaal. Hier zou volgens verkregen info ook de Meteo gevestigd geweest zijn.
  • De grote ruimte dan bereikt na nog een zigzag van de gang tussen houten kabinetten, brengt ons bij de OPS ruimte. Dit was het centrale hart van de bunker.
  • Meer naar rechts kom je opnieuw in een kleinere ruimte omschreven als Koffiezaal.
  • Deze gaf op zijn beurt uit op een kleine ruimte omschreven als Pompenzaal. Hier bevond zich ook toen een nooduitgang.
  • Anderzijds gaf de Koffiezaal uit op de Keuken. De ruimte links hiervan was vroeger verdeeld in 2 kleinere ruimtes. Dit werd 1 ruimte en bevatte ook toen nog het ventillatiesysteem. Voor de rest werd deze ruimte gebruikt als Voorraadkamer.
  • Vanaf de keuken was er een doorsteek in de richting van de later aangesloten kazemat onder het Chalet Suisse. Deze kazemat was opgedeeld in 2 gedeeltes. Het voorste gedeelte was de Refter, Rustplaats en ontspanningsruimte . Gescheiden door een wand, lag hierachter de Slaapzaal.
  • Deze slaapzaal gaf opnieuw uit op een nooduitgang die in feite een verwerkte vorm was van de vroegere ingang van deze schuilplaats ten tijde van de Duitse bezetting.

(Alle schetsen: Stadsarchief Gent / Collectie Ghislain Mineur)

In deze periode werd zoals hogerop te zien, intern het toegangschalet nog eens zwaar verbouwd en heringedeeld qua structuur.

  • Links zie je de trap richting bunker. Deze bevindt zich links achter de hoofdingang van het chalet.
  • Achter de toegang lag een vrij grote hal die uitgaf op een kamertje zonder specifieke functie meer achteraan.
  • Rechts naast de hal bevond zich het wachtlokaal van de bunker.
  • Rechtsonderaan bevond zich toendertijd een leslokaal.
  • De ruimte bovenaan rechts was de werkplaats.

De schets daaronder toont een dwarsdoorsnede van dit chalet. Rechts een detail van het eerste stuk van de trap aansluitend op de dubbele trap bij het oude toegangscomplex behorende. (Alle schetsen: Collectie Gents Stadsarchief)

Op 13 April 1989 werden door Senator Lenfant in het parlement een aantal vragen gesteld over de mate dat de Belgische burgers beschermd waren tegen een nucleaire aanval. De toen gestelde vragen waren de volgende:

In de meeste van de omliggende Europese landen bestaan er specifieke atoomschuilkelders voor een mogelijke atoomaanval. Op welke structuren kan de Belgische bevolking rekenen bij een dergelijke aanval? Zijn er bouwprojecten lopende op dit moment?

Het antwoord werd gegeven door de toenmalige minister van Binnenlandse zaken, Louis Tobback.

Er wordt gemeld dat er in België voor een dergelijk scenario geen gezamelijk plan bestaat en al evenmin de nodige atoomschuilkelders. Bijkomend wordt in twijfel getrokken of het massaal beginnen bouwen van dergelijke structuren veel nut zou hebben voor een dergelijke aanval.

Er wordt benadrukt dat er meer inzet dient te gebeuren om de dreiging weg te werken in plaats van te proberen weerstaan aan de mogelijke gevolgen ervan.

Er wordt bij dit antwoord ook op aangedrongen dat de Civiele bescherming zijn taken meer zou verleggen op taken die van nut kunnen zijn in vredestijd zoals het verwerven van middelen voor rampenbestrijding.

Op 9 November 1989 wijzigde ook voor velen de noodzaak om specifiek permanent nog dreiging te voelen uit het Oostblok. Op die dag viel namelijk de Berlijnse Muur, het symbool van de scheiding van het Westen en het Oostblok. Dit betekende ook meteen dat velen het nut van het verplicht blijven opvolgen van dreigingen uit het Oostblok, vonden wegvallen. Dit zou ook meteen het begin zijn van het afbouwen van de bestaande opvolgingssystemen van de nucleaire dreiging uit het Oosten.

Op 17 Oktober 1990 duikt briefwisseling op waarbij de bunker toch bijkomende taken zou aangemeten krijgen die niet enkel meer sloegen op het bestaande alarmnet en opvolging van de meting van radio-activiteit in noodsituaties. Er wordt gewezen op de nood van het bestaan van een noodkamer (lees commandopost) in geval van een ramp. Dit zou van nut zijn voor een centrale opvolging van deze rampen voor de Civiele Bescherming en de hulpdiensten. De bestaande bunkers van de CPA, onder andere deze in het Citadelpark te Gent werden hierbij aangeprezen als de optimale locaties:

  • De CPA bunker was voorzien van een 42 meter hoge antenne en kon van hieruit gemakkelijk via radioberichten de ganse provincie bereiken.
  • Ook bleef de bunker beschikken over een niet aftapbare rechtstreekse telefoonverbinding steunend op het Regetel-net naar onder andere de Rijkswacht en de top van het Leger. Deze kabel liep wel jammer genoeg niet door tot in het Provinciehuis op de Gouvernementstraat 1 te Gent maar wel tot in het Gentse gerechtsgebouw. Deze lijnen werden omdat ze niet verbonden waren met het klassieke telefoonnet, als niet aftapbaar beschouwd.
  • Daarnaast was er ook draadloze telefonie, telex en telefax via het het Multiplex-net van Binnenlandse zaken.
  • Indien de telefonielijnen niet beschadigd zouden geraken, zou ook een bijkomende fax-lijn tussen het Provinciehuis en de bunker tot stand gebracht moeten kunnen worden.

In 1991, bij het vieren van een pensionering duiken deze zeldzame foto's van de binnenzijde van de bunker op.

Bovenstaande foto toont het keukentje nog in intacte vorm. Ook bij gebruik van de bunker werd er trouwens altijd apart in de bunker gekookt. Alles werd hier vers gemaakt in die periode. De bunker had ook zijn eigen kokkin. (Foto: Collectie H. Pappens)

3 zichten op de eetzaal en ontspanningsruimte in de bij de bunker betrokken kazematten van de Citadel. Dit is de kazemat die ooit door de Duitsers als schuilplaats werd gebruikt onder het toenmalige drankenhuisje, het Chalet Suisse. Achteraan de bovenste foto zie je een gordijnendeur naar het tweede gedeelte van deze kazemat waar toen de slaapplaatsen waren. Jammer dat daar nog geen enkele foto meer van gevonden kon worden. (Foto's: Collectie H. Pappens)

Tussen 19 Januari en 31 December 1991 viel de toenmalige Sovjet-unie onder Sovjetleider Gorbatjov in het kader van Glasnost (openheid) en Perestrojka (hervorming) uit elkaar. Heel wat toenmalige deelstaten zouden zich afscheuren van de toenmalige Sovjet-unie en een onafhankelijke koers gaan voeren. Dit maakte dat de vroegere dreiging uit het Oostblok steeds als minder ernstig werd beschouwd.

Dit diende dan ook rechtstreeks gekoppeld te worden aan het non-profileratieverdrag inzake de verspreiding van kernwapens dat toen werd getekend. Dit zou ook bijkomend het risico op een atoomoorlog moeten beperken.

Voortaan zou de minder gevreesde opvolging van radio-actieve risco's opvolgbaar worden vanuit het lokaal van de Civiele Bescherming in het Gouvernementsgebouw in Gent.

Op 14 November 1991 valt definitief ook in België het doek over de bestaande opvolging van burgerlijke detectienetten voor radio-activiteit. Op deze datum wordt beslist dat alle nog officieel in dienst zijnde publieke schuilkelders en bunkers van het Civiele detectienet, dus ook de bunker in het Citadelpark, zullen overgedragen worden naar een andere overheid in de hoop daar in een nieuwe functie te kunnen worden verder gebruikt.

Erg om vast te stellen dat in briefwisseling uit deze tijd door de toenmalige laatste commandant van de bunker, Mr Hervé Pappens specifiek wordt gevraagd deze bunker deze in zijn originele toestand te bewaren. Dit onder andere omwille van het historische karakter van deze bunker die al dateerde uit 1938 en gecombineerd zat met stukken van de oude Citadel van Gent. Daarnaast was hij ook nog eens intensief gebruikt door de Duitse bezetter als communicatiebunker op de achterlijn van de Atlantic Wall. Er wordt voorgesteld te bekijken om hem bv als een museum over radio-actieve dreiging uit het Oostblok te behouden. Gezien ook het fort van Walem definitief in deze functie mee werd gesloten. Hij vreesde dat alles wat hier nu nog intact aanwezig was, voorgoed verloren zou gaan, wat ook jammer genoeg het lot van de bunker is geworden.

Bijkomend wordt ook gewezen op de nationale veiligheid omdat deze bunker specifiek gelinkt zat met uitstekende en unieke veilige communicatielijnen.

Er wordt gevraagd specifiek tegen ten laatste 30 November 1991 uitsluitsel te geven of er geen kans bestaat dat de Provincie Oost-Vlaanderen de bunker alsnog in zijn bezit zou willen houden om hem te beschermen tegen een later misschien liever niet gewenste eindbestemming.

Op 14 November 1991 volgt nog een bijkomende beschrijving van welke structuren de Civiele bescherming in de regio Gent gebruikt en dewelke zullen dienen vrijgemaakt te worden. Hieruit blijkt nogmaals dat zeker opgelet dient te worden met bepaalde zaken gekoppeld aan het aanwezige communicatienet dat ondanks het hier buiten dienst zetten, nog allen intact aanwezig is.

Er wordt tevens ook gevraagd rekening te houden met bepaalde taken die ondanks het buiten werking stellen van de Gentse structuren alsnog zullen dienen worden verdergezet op een andere locatie maar waarvoor op dat moment dus nog geen locatie voorzien was.

Ook zit de alarmcentrale voor het grondgebied Oost-Vlaanderen ook nog altijd gekoppeld aan de bunker in het Citadelpark.

Er wordt ook gevraagd nog voorzichtig te zijn met te drastische maatregelen omdat er nog een vraag lopende was naar de provincie Oost-Vlaanderen om de bunker nog over te nemen.

In de periode hierop volgend zou de provincie negatief antwoorden en melden niet geïnteresseerd te zijn in het overnemen van de bunker onder het Citadelpark. De bunker blijft hierdoor dus zonder functie achter in het park.

Vanaf 1992 duikt informatie op van verschillende gemeentes zoals bv Aalter en Knesselare die documentatie en bouwplannen opvragen van de voormalige meetposten op hun grondgebied die op dat moment, zonder nieuwe functie, worden overdragen van de Civiele bescherming naar die gemeentes zelf.

Op 9 Februari 1993 is er een schrijven terug te vinden waaruit blijkt dat alle vaste vroegere meetposten zijn overgedragen naar de respectievelijke gemeentes en dus geen deel meer uitmaakten van het patrimonium van de Civiele Bescherming.

Hierop bestonden een 4 tal uitzonderingen. Zo werden de eerder voor het detectienet gebruikte structuren te Eeklo, Zelzate, Aalst en Zottegem door de Civiele bescherming verder gehuurd van de steden van herkomst om voort gebruikt te worden als leslokalen.

Op dat moment zit men enkel nog altijd zwaar verveeld met de bunker in het Citadelpark zelf die geen nieuwe overnemer vindt. Deze wordt op dat moment nog altijd wegens het ontbreken van een overnemer als volgt nog altijd gebruikt:

  • kantoorfunctie: Er is nog altijd 1 iemand in de periode tussen November 1991 en ondertussen 9 Februari 1993 achtergebleven bij de bunker als conciërge die daar dagelijks de structuur onderhoud.
  • Het chalet bij de bunker wordt nog altijd beperkt gebruikt als atelier, een functie die het voorheen ook deels had.
  • De bunker fungeerde nog altijd als centrale bediening voor het alarmeringsnet. De maandelijkse testen op de goede werking gebeurden toen nog altijd vanuit deze bunker die officieel al buiten gebruik gesteld was.
  • Het Chalet werd ook tot nader order nog altijd gebruikt als leslokaal omdat het ook hiervoor specifiek was uitgerust.
  • Het Chalet en mogelijks ook de bunker werden soms nog gebruikt als vergaderruimte.

Op 29 April 1993 worden met een officieel schrijven de vroegere structuren van de Civiele bescherming in het Citadelpark kosteloos overgedragen aan de stad Gent.

Er werd op dat moment zelfs goedkeuring gegeven aan het provinciaal commando van de Civiele bescherming een aantal in de bunker nog aanwezige toestellen, hier veilig te bewaren.

Op 28 Mei 1993 werd de bunker eens uitzonderlijk opengesteld voor het grote publiek in het Citadelpark als onderdeel van "de dag van het park". Op dat moment was de bunker bezoekbaar in nog volledig intacte vorm en volledig ingericht. Helaas heb ik van die gelegenheid nog geen enkele foto kunnen terugvinden, terwijl deze er volgens mij toch allicht wel hier of daar moeten van bestaan van toen. Mocht u er toevallig foto's van bezitten, weet dat deze zeker meer dan welkom zijn op info@bunkergordel.be.

Een zeldzame foto uit de krant van de toenmalige openstelling van de bunker in 1993. Het fotootje toont het tussensas tussen keuken en operationeel gedeelte van de bunker. (Foto: Het Volk vrijdag 28 mei 1993)

Op 12 September 1993 gaat de bunker nog een 2e keer open voor het grote publiek in het kader van "Open Monumentendag 1993". Ditmaal werd hij letterlijk uitzonderlijk begeleid door het personeel van de Civiele Bescherming zelf. Zij waren er namelijk nog altijd voor te vinden op dat moment de bunker als een soort museum te kunnen behouden als herinnering aan de koude oorlog waarvoor deze bunker toch sinds 1947 was gebruikt geweest.

Op 28 December 1994 vinden we nog een schrijven terug waaruit blijkt dat de Stad Gent uiteindelijk enkel de bovenbouw van de bunker gebruikt. De bunker hangt dus aan dat chalet als een bijkomend aanhangsel maar wordt in feite totaal niet gebruikt.

Dit maakt ook dat de Civiele bescherming de bunker in zeer beperkte zin kan blijven gebruiken voor onderstaande zaken:

  • De bunker bevat tot dan nog altijd de enige centrale bediening van het aanwezige alarmeringsysteem voor Oost-Vlaanderen dat op dat moment nog altijd 157 sirenes kan aansturen.
  • De bunker is ook nog altijd het centrale knooppunt voor het Regetel-telefonienetwerk.
  • Er blijft een vraag lopende om de bunker alsnog te blijven behouden als een crisiscentrum voor de regio.

Grootste belemmering voor verder gebruik van de structuur is ook het ontbreken van budgetten bij de Civiele bescherming. Ook zij moeten opmerken op dat moment niet over de financiële middelen te beschikken om de bunker te blijven onderhouden zoals dit tot op dat moment nog altijd gebeurde. Deze laatse clausule maakt dat ook de Civiele bescherming bij dit schrijven verklaart de bunker nog te zullen onderhouden tot ook de meest cruciale problemen uit bovenstaand lijstje kunnen opgelost worden. Dit was dus een nog beperkte doodstrijd tot voor die bepaalde functies ook een nieuwe locatie werd gevonden. Daarna zou de bunker definitief worden verlaten.

Op 17 Januari 1995 wordt het lot van de bunker volledig bezegelt doordat de Provincie Oost-Vlaanderen meedeelt definitief geen interesse meer te hebben in het overnemen van de bunker in het Citadelpark.

Hierbij wordt ook beslist dat al het bruikbare materieel zoals de verschillende verbindingsmiddelen en radio-apparatuur, naar het Provinciegebouw in de Gouvernementstraat dient overgebracht te worden. Dit betekent dus ook meteen dat de ganse bunker inwendig wordt ontmanteld en ook de eerder gevraagde functie als museum de nek wordt omgewrongen.

Allicht is al het materiaal dat hier dus ooit stond, met heel veel moeite naar buiten gesleurd, in containers geladen om dan na jaren nutteloos in containers te staan, te worden overgebracht naar een stortplaats wegens van geen nut meer. Hier is zeker een mooie kans gemist om deze bunker toch heel wat intacter dan hij ooit is teruggevonden voor opruiming van mijn kant, te bewaren.

Ook meldt men dat de bunker geen functie meer heeft als crisiscentrum omdat dit specifiek werd voorzien in het Provinciehuis te Gent.

Het enige dat nog cruciaal was en waar in de nabije periode nog een oplossing voor diende gezocht te worden, was het verplaatsen van de alarmcentrale. Deze is nog in de bunker gebleven tot rond 1996.

Hiermee kan dan ook het officieel vanaf 1996 elke vorm van officieel gebruik van de bunker afgesloten worden en begint voor deze toch wel unieke structuur een bestaan zonder enig officieel nut.

Sindsdien is de bunker gebruikt (al betreft het enkel de bovenstructuur en niet de bunker zelf) door de Gentse Groendienst. Zij benutten trouwens ook het grootste gedeelte van andere oude militaire structuren in het park. Dat was reeds zo voor ze ook het chalet van de bunker in gebruik namen.

Globale werking van de Civiele bescherming (maar toch vooral toegespitst op regio Oost-Vlaanderen) in de periode dat ook de bunker in gebruik was.

De Civiele bescherming op zich is een rijksdienst. Dit impliceert dat zij vallen onder het ministerie van Binnenlandse zaken.

De Civiele bescherming werd opgericht om ten tijde van een gewapend conflict hulp te bieden aan de burgerbevolking en in te staan voor de bescherming van het patrimonium van het land. Ten tijde van oorlog hield dit dus in hulp en bescherming bij

  • klassieke bombardementen
  • nucleaire aanvallen of straling ten gevolge van bv bombardementen.

Deze taken werden na de oorlog uitgebreid naar het bieden van hulp aan de burgerbevolking bij rampen en zware ongelukken. In hoofdzaak omvatte dit helpen bij

  • Natuurrampen
  • Chemische, Biologische of Nucleaire rampen
  • Grote verkeersrampen zoals bv scheeps-, vliegtuig- en treinrampen.

Het hoofdcommando van de Civiele bescherming was gevestigd nabij Mechelen in het fort van Walem. Ten tijde van het gebruik van de bunker had de Civiele Bescherming 4 permanente eenheden of mobiele colonnes. Dit waren

  • Liedekerke
  • Ghlin
  • Crisnée
  • Brasschaat.

Daarnaast was er nog een bijkomende grote wacht te Neufchateau.

Standaard beschikte de Civiele bescherming over 2 types van ploegen

  • De meetploegen (EPDet)
  • Interventieploegen

Daarnaast was er per provincie een bureau, in dit geval voor Oost-Vlaanderen in de Lange Violettenstraat 84 met bijhorend onder hun beschikking, de bunker in het Citadelpark.

Dit type van bunker bestond per provincie en omvatte de commando van een burgerlijk detectienet voor radio-activiteit alsook het alarmeringsnet voor die provincie. Dit laatste stond onder de leiding van de Provinciale Chef. Deze stond steeds in zeer kort contact met de provinciegouverneur bij de coördinatie van rampen en hulpacties (om niet te zeggen, had de leiding en coördineerde wat deze laatste officieel diende te doen om de ramp of hulpactie vlot afgehandeld te krijgen).

Dit provinciaal bureau stond ook in voor het ontwikkelen van noodplannen voor allerlei mogelijke risico's die vaak zeer bedrijfs- of zonespecifiek konden zijn voor hun provincie. Voor zeer grote rampen konden provincie-overschrijdende samenwerkingen worden uitgewerkt.

De Provinciale directies van de Civiele bescherming waren bevoegd voor hun eigen aanwervingen, opleidingen, uitrusting, materieel en voertuigen voor hun vrijwilligers. Qua voertuigen was dit alleen voor Oost-Vlaanderen al 16 zware reddingsvoertuigen, minibusjes, reddingsboten, ...

Voor Oost-Vlaanderen beschikte de Civiele Bescherming in de jaren '80 op deze manier over 1150 vrijwilligers. Voor West-Vlaanderen waren dit er nog eens 1350. De wijze waarop deze personen van de Civiele bescherming mee konden ingeschakeld worden bij rampen waren door de band ook mee geïntegreerd in gemeentelijke rampenplannen.

Voor Oost-Vlaanderen waren er 23 gemeentelijke interventiecentra door de band sterk gekoppeld aan bepaalde gemeentes en steden. Aanwervingen van vrijwilligers gebeurden namelijk vaak zeer regionaal (waar er specifiek extra volk nodig was) en dit gebeurde dan vaak in samenspraak met respectievelijke burgemeesters.

Werkgevers waren verplicht de vrijwilligers van de Civiele Bescherming bij een oproep voor een interventie vrijaf te geven.

Door de band waren zij opgedeeld in Ploegen van 7 personen. Dit omvatte dan telkens

  • Een leider bevoegd voor de communicatie en de veiligheid
  • Een logistiek persoon
  • 4 werkers
  • een chauffeur

Indien voor een specifieke ramp gespecialiseerd materieel nodig was, kon bijkomend beroep gedaan worden op de permanente eenheden van Liedekerke en Brasschaat. De daar tewerkgestelde personen van de Civiele Bescherming waren contractuelen en geen vrijwilligers.

Bij rampsituaties in landelijk gebied, heel vaak bv overstromingen, konden contacten gelegd worden via radio-contact vanuit de commandopost in de bunker in het Citadelpark. Hiervoor was de 42 meter hoge radio-antenne aan het chalet bij de bunker van cruciale waarde.

Kaart met situatie tot einde gebruik bunker met alle Interventiecentra in Oost-Vlaanderen van de vrijwilligers van de Civiele Bescherming. (Kaart: Collectie Hervé Pappens)

Gebruik van de bunker als onderdeel detectienet Radio-activiteit in Oost-Vlaanderen.

Begrippen als Fall-out en radio-actieve verontreinginging.

De opvolging van deze radio-activiteit bestond uit 2 belangrijke zaken.

  • Het meten van de radio-activiteit in deze verschillende meetpunten
  • Het meten van de windrichtingen en windsnelheden op deze meetpunten.

Zoals men heden op het weerbericht kaarten ziet van gelijke druk, bestond de kunst er dus toen in te komen tot kaarten niet met de lijnen met gelijke druk maar met lijnen met gelijke radio-activiteit.

De berekening van hoelang men in een verontreinigde zone kan verblijven alvorens het risico te lopen een maximum dosis te hebben bereikt, is geen simpele berekening. Door de band gebruikt men daarvoor complexe logaritmische formules.

Er geldt altijd bij een eenmalige verontreiniging een eenvoudigere 7-uren regel die vlot toepasbaar was zonder veel extra complexe berekeningen.

Na 7 uur zal de intensiteit van de verontreiniging namelijk nog ongeveer 1/10 zijn van 7 uur voorheen.

Na 7x 7 uur = 49 uur, vereenvoudigd tot 48 uur = 2 dagen, zal de verontreiniging nog ongeveer 1/100 zijn van 48 uur voorheen.

Na 7x 49 uur = vereenvoudigd tot 7x 48 uur = 14 dagen, zal de verontreiniging nog ongeveer 1/1000 zijn van 14 dagen voorheen.

Na 7x 14 dagen = 3.5 maanden zou dit dan nog eens gezakt zijn tot 1/10000 van het origineel. Je merkt dus dat deze waarde vrij sterk zakt in het begin maar dan systematisch minder snel voortzakt gezien dit logaritmisch verloopt.

Schets van Atmosferische Diffusie zoals doorgekregen via Mr Hervé Pappens. Dit toont mooi hoe een verontreinigende golf een grondgebied kan verontreinigen en fall-out veroorzaken.

Bovenstaande uitleg valt te koppelen aan bv een verontreiniging van een fabriek. Een gans ander scenario krijg je bv bij een atoombom. De kracht van een dergelijke bom gaat men uitdrukken in "ton " en op die manier vergelijken met "X ton TNT", klassieke springstof dus. Onderstaande schets toont hoe de verontreiniging zou verlopen bij een atoombom van 1 MegaTon bij een windsnelheid van 25 km/u. Om het onderstaande iets meer te vatbaarder te maken. De atoombom Little Boy die de Amerikanen ooit dropten in 1945 op Hiroschima was slechts een bom van 15 Kiloton. Het gegeven voorbeeld is dan ook ongeveer 66x zo hevig. Denk nu niet dat dit een extreem voorbeeld is. De zwaarste ooit al effectief geteste atoombom, was de Tsar Bomba en die was 50 Megaton zwaar.

(Schets: Collectie Hervé Pappens).

De eerder al vermelde regel van 7 ligt ook aan de basis van onderstaande indeling in zones.

In alle vermelde zones dient men sowieso reeds 2 dagen afgesloten van de buitenwereld, in de schuilplaats te verblijven en vermijden in contact te komen met lucht (die radio-actieve verontreiniging zal bevatten) van buiten. Dit maakt dat men de waarde dus vooralleer op het terrein al te gaan, laat dalen met een factor 1/100 van het originele risco.

In zone Z = op schets zone +/- 10 km breed - 50 km lang, is radio-actieve verontreiniging groter dan 1000 RAD/h.

  • In die zone is de kans dat men het overleeft, trouwens heel klein. De duur dat risico blijft, is op voorhand amper in te schatten. Deze zone mag door hulpverleners sowieso niet betreden worden.

In zone Y = op schets zone +/- 20 km breed - 200 km lang, is radio-actieve verontreiniging tussen 300 en 1000 RAD/h.

  • Overlevenden in de zone blijven standaard 2 dagen in veilige kelders of 7 dagen binnenshuis.
  • Hulpverleners kunnen na 2 dagen gedurende de 2 eerste weken 2 uur per dag die zone betreden en moeten daarna telkens 22u bekomen in een schuilplaats of binnenshuis.
  • De volgende 3 weken kan dit opgevoerd worden naar 4 uur per dag buiten en 20 uur in veilige schuilplaats of binnenshuis.
  • De volgende 6 maanden kan dit dan opgevoerd worden naar 8 uur per dag buiten en 16 uur binnen in veilige schuilplaats of binnenshuis.

In zone X = op schets zone +/- 40 km breed - 320 km lang, is radio-actieve verontreiniging tussen 30 en 300 RAD/h

  • Overlevenden in de zone blijven standaard 2 dagen in veilige kelders of 7 dagen binnenshuis.
  • Hulpverleners kunnen na 2 dagen gedurende de 5 daarop volgende dagen 4 uur per dag die zone betreden en moeten daarna telkens 20u bekomen in schuilplaats of binnenshuis.
  • De volgende 3 maanden kan dit opgevoerd worden naar 8 uur per dag buiten en 16 uur in veilige schuilplaats of binnenshuis.

In zone W = op schets zone +/- 80 km breed - 700 km lang, is radio-actieve verontreiniging tussen 1 en 30 RAD/h.

  • Risico beperkter en geen begrenzingen in plannen aanwezig.

Sowieso wordt dus iedereen in de zone met straling aangeraden minimum 48 uur in een veilige kelder door te brengen en daarna toch minimum de eerste week binnenshuis te blijven.

Men dient te vermijden in contact te komen met de fijne stofdeeltjes. Probeer ze niet binnen te krijgen via mond of neus. Het best worden de veilige ruimtes stofdicht gemaakt door alle kieren en openingen dicht te plakken en af te sluiten. Men diende via radio (best op batterijen want stroom zal in veel gevallen wegvallen) in contact te blijven met de overheid die de nodige info zal verspreiden via deze informatiebron.

De Specifieke werking van de opvolging van de Radio-activiteit in de bunker in het Citadelpark te Gent tussen 1947 - 1991.

Deze activiteit dient trouwens mee gekoppeld te worden aan de activiteiten van België in het kader van de NAVO.

Hoe de werking van de bunker was vanaf 1947 tot neem weg half jaren 80 is nog zeer moeilijk in detail te achterhalen. Er is namelijk nog bitter weinig informatie over te vinden uit die periode, laat staan foto's. In grote lijnen zal de werking zeker vrij identiek geweest zijn met wat er van de laatste periode van de bunker gekend is. Het grootste verschil zal allicht gewoon de beschikbare middelen geweest zijn, dewelke ook zeker hier met de tijd steeds moderner zullen geworden zijn voor hun tijd. De vrij gedetailleerde info die gekend is, dateert in hoofdzaak vanaf de jaren '80 tot de periode dat de bunker officieel uit dienst werd genomen in 1991.

Een foto te situeren in 1979 en vermoedelijk genomen in het toenmalige toegangschalet van de bunker. Meermaals kreeg ik te horen op rondgangen in het park van mensen wiens vader in de bunker tewerkgesteld dat het een onmogelijk iets was als niet direct betrokkene ook maar eens binnen te komen in het chalet of de bunker. Een foto zoals deze is dus echt wel een zeldzaam iets. (Foto : Collectie Francine Declercq)

Vrijdag 5 Februari 1988 (allicht dus kort na de laatste vermelde update van de bunker) verscheen in het toenmalige "Nieuwsblad - De Gentenaar" een artikel volledig gewijd aan deze in het Citadelpark aanwezige bunker voor de Civiele bescherming.

Werking van de meetploegen op de vaste en mobiele meetpunten (obv nota uit 1983)

De taak van deze ploegen was het in beeld brengen van wat men bestempeld als de verontreinigende wolk. Wat dan zo snel mogelijk diende bepaald te worden eenmaal men wist dat er een verontreinigende wolk op te volgen was:

  • De afmetingen en de concentratie van de wolk.
  • Indien het over een brandbare wolk gaat, de afstand tot op dewelke het risico van ontsteking van de wolk bestaat.
  • De afstond tot op welke giftige concentraties te verwachten zijn
  • Het niveau aan ioniserende straling / besmetting bij een radio-actieve golf.

Het commando tot een dergelijke opdracht vertrok vanuit het commandocentrum, normaal de commandobunker in Gent dus. Hier werden dan zo snel mogelijk de meest dringende data verzameld om de nodige meetploegen te kunnen uitsturen. Dit omvatte

  • Naam van de locatie en duidelijke adresgegevens of desnoods coördinaten
  • De aard van verontreiniging (stofnaam en KEMLERgetal), eventueel verwachte concentratie. Het Kemlergetal is samenlopend met de nummering die heden nog wordt gebruikt in het kader van ADR-transport (vervoer van gevaarlijke producten)
  • Aard van de verontreiniging (link met hoe de verontreiniging is ontstaan, bv opslag, vervoer via weg, trein, waterweg,..
  • De op dat moment gekende windsnelheden en windrichtingen

Het commando verwittigt reeds de leefmilieu-deskundige en de meetploegen zodat deze alvast hun te verwachten te gebruiken beschermelde kledij en middelen voorbereidend nog eens nakijken op hun goede werking.

Het zal dan de taak zijn van de leefmilieu-deskundige te bepalen

  • Welke meetpunten of uitgangsstellingen zullen worden opgestart
  • Het aantal meetploegen die dienen ter plaatse te gaan
  • De aard van te gebruiken meetapparatuur en beschermingsmiddelen
  • De aanrijroute die zal worden gebruikt
  • De te gebruiken persoonlijke beschermingsmiddelen
  • Eventuele bijkomende specifieke info

Op basis van deze info vertrekken de meetploegen naar hun meetpunten en starten hun metingen op. Hun meetresultaten worden geregistreerd op hun meetdocumenten en telefonisch doorgegeven naar de commandopost om zo de opvolging te kunnen starten.

Deze werkwijze wordt voortgezet tot de opdracht wordt afgeblazen.

De middelen die de meetploegen ter beschikking hadden

In totaal beschikte de Civiele Bescherming in Oost-Vlaanderen over 16 meetploegen.

  • Standaard beschermingskledij (reeds aan bij het uitrukken)
    • Helm
    • Werkjas en broek
    • Handschoenen
    • Laarzen
  • Voertuig
  • Radio-zendapparatuur
  • Werkmap
    • topografische kaarten van de streek
    • lijst van beschrijvende meetpunten en bijhorende interne nummers
  • Meetapparatuur
    • Een explosiemeter
    • Gasdetectiepompje en meetbuisjes
    • Radiologische meetapparatuur
    • Persluchtapparaat
    • Gasmasker(s)
      • Dit dient altijd gedragen te worden als er onzekerheid bestaat over de te verwachten concentraties of als men in benedenwindse gebieden dient te opereren.
      • De bijhorende persluchtfles voorziet standaard voor perslucht gedurende 20 a 25 minuten (dit kan variëren per type gebruikte fles).
      • Gebruik van gelaatstukken en filterpatronen indien risico bestaat op giftige stoffen. Deze mogen enkel gebruikt worden als er zekerheid is over de aanwezigheid van voldoende zuurstof in de eigenlijke lucht. Ook moet de concentratie van de verontreiniging onder bepaalde peilen blijven omdat anders de filters zouden kunnen doorslaan of verzadigd geraken. In die gevallen zou men toch verontreinging binnenkrijgen.

De meetploegen waren zodanig georganiseerd dat zij bij een dergelijke dreiging binnen de 30 minuten in hun sector (hier dus Oost-Vlaanderen) aanwezig konden zijn om de nodige metingen op te starten. De patronen van verontreinigde pluimen voor radio-actieve en toxische giftige stoffen zijn meestal cigaarvormig. Deze van brandbare stoffen, meestal cirkelvormig waarbij het dus belangrijk is de straal van de risicozone te bepalen.

Bij dergelijke metingen werd altijd door de meetploeg die zelf beschikt over de nodige beschermingskledij en middelen gemeten vanaf de veilige randen van de zone en zo afgetoetst naar de vervuilde zone toe om zo te bepalen waar de verontreinigingen gevaarlijk beginnen te worden. Deze metingen worden dan aangeduid op een stafkaart waarna in vervolgfase wordt opgevolgd hoe de verontreiniging zich verplaatst.

Het chalet boven de bunker ten tijde van het gebruik door de Civiele bescherming (Foto: Artikel uit het Nieuwsblad van 5/02/1988)

De CV-proeg van de bunker bestond standaard uit een staf en 3 teams van telkens 12 vrijwilligers.

In het geval van een nucleair alarm kon de CV-ploeg zijn taak van opvolging van de verontreiniging uitvoeren. Dit gebeurde telkens in blokken van 4 uur. Deze taak kon in het slechtste geval op die manier in de bunker weken aangehouden worden zonder deze te dienen verlaten.

Deze schiften wisselden elkaar voortdurend af en waren dan

  • Shift Actieve Dienst
  • Shift Lichte taken
  • Shift Rust

De bunker beschikte over een verbinding met

  • 16 vaste meetpunten
  • 11 extra losse meetpunten

 

De zware gepantserde deur aan de ingang beneden het trappencomplex (Foto: artikel uit het Nieuwsblad van 5/02/1988)

De bunker beschikte over een volledig onafhankelijk telefonienetwerk dat dus niet kon afgeluisterd worden omdat het ook niet gekoppeld zat aan het burgerlijk telefonienet. Dit had op die manier directe lijnen met

  • Het fort van Walem (hoofdkwartier Civiele bescherming)
  • Hoofdkwartier Civiele Bescherming Oost-Vlaanderen op de Lange Violettenstraat
  • Het commando van de toenmalige Rijkswacht
  • Het commando van het Belgisch Leger
  • De verdwenen Dolhain Kazerne
  • De Leopoldkazerne
  • Een specifieke locatie op De Sterre (hierover ontbreken verdere details)
  • Het Gouvernementshuis in Gent
  • Het gerechtsgebouw in Gent.
  • ...

De vaste meetpunten beschikten op dat moment over voor zijn tijd zeer gesofistikeerde infrastructuur voor het meten van radio-activteit. Deze installaties waren op die meetpunten steeds aanwezig.

De hier beschreven losse meetpunten waren perfect uitgerust om deze metingen te kunnen doen maar beschikten niet permanent over een dergelijke meetinstallatie. Voor deze 11 punten waren nog eens 4 mobiele installaties beschikbaar die dan extra konden ingeschakeld worden in het meetnet naarmate men in die specifieke punten dit relevant vond.

Op onderstaande foto zie je duidelijk alle meetpunten zoals nog altijd terug te vinden op het bord aanwezig in de bunker.

Dit waren alvast de vaste meetpunten, die ook nog altijd te zien zijn op het infobord in de huidige bunker.

  • post 411 - Drongen
  • post 412 - Zelzate
  • post 413 - Wachtebeke
  • post 421 - Sint Niklaas
  • post 422 - Kieldrecht
  • post 423 - Hamme
  • post 424 - Lokeren
  • post 431 - Aalst
  • post 432 - Zottegem
  • post 441 - Oudenaarde
  • post 442 - Brakel
  • post 443 - Ronse
  • post 451 - Eeklo
  • post 452 - Aalter
  • post 453 - Knesselare

Op het infobord zie je ook bijkomend nog 4 blanco-kolommen, wat overeenkwam met de 4 nog beschikbare mobiele meetinstallaties.

De nog intacte telefoniekamer (Foto: artikel uit het Nieuwsblad van 5/02/1988)

Kaart Burgerlijk Detectienet (Collectie Hervé Pappens)

Op bovenstaande kaart die actueel zal zijn tot ongeveer het einde van het gebruik van de bunker, zie je het volledige Burgerlijk Detectienet. De Rode driehoekjes, zijn de 16 vaste meetpunten die hierboven al opgelijst zijn. De Rode rechthoeken zijn de 11 bijkomend beschikbare mobiele meetpunten. Bij deze kan je hier ook zien waar deze waren te situeren:

  • Maldegem
  • Stekene
  • Zeveneken
  • Mariakerke
  • Deinze (2e post)
  • Merelbeke
  • Sint Lievens Houtem
  • Moorsel
  • Zottegem (2e post)
  • Ninove
  • Brakel (2e post)

De wijze waarop opvolgingsmetingen in de bunker terrechtkwamen, was dus een kwestie dat de telefonisten om de 30 a 60 minuten steeds contact opnamen met elk van de meetpunten voor het doorkrijgen van de op dat moment gemeten radio-activteit. In nood of bij uitvallen van het burgerlijk telefonienetwerk, kon dit ook overgaan op radioverbindingen (via de antenne van 42 m in het park) of zelfs estafettes (personen uitsturen om de metingen elders te gaan doorgeven in hun richting, op welke methode ook).

Ook zie je dat sommige metingen eerst al werden verenigd en niet allen individueel tot in Gent doorkwamen. Het aantal individueel door te krijgen metingen werd hierdoor kleiner voor Gent. Dit waren de op die manier uitgekleinde clusters

  • Gent
    • Eeklo
      • Eeklo (meetpunt)
      • Knesselare
      • Aalter
    • Sint Niklaas
      • Sint Niklaas (meetpunt)
      • Lokeren
      • Hamme
      • Kieldrecht
    • Oudenaarde
      • Oudenaarde (meetpunt)
      • Brakel
      • Ronse
    • Drongen
    • Zelzate
    • Wachtebeke
    • Aalst
    • Zottegem

Dit werd dan gecombineerd met de eveneens steeds actueel opgevraagde windrichtingen en windsnelheden door de Meteo-dienst eveneens aanwezig in de bunker. Op die manier konden de eventueel aanwezige pluimen van radio-actieve wolken door de tekenaars getekend worden op mica-papier. Dit gebeurde dan in de verschaling van de aanwezige stafkaarten, door de band 1/10000 of 1/25000. Hoe dit diende te gebeuren was gekoppeld aan zeer ingewikkelde formules die voor die tijd (zonder computers) niet evident waren om te laten berekenen. Men beschikte hiervoor over een speciaal rekenmachine die specifiek was ontworpen om deze zware formules te kunnen uitrekenen. Vergeet dus niet dat dit allen qua werking te koppelen is in de jaren 50 - 60 - 70 - 80 terwijl de computer dus zeker nog niet echt in intrede had gedaan.

De op deze manier getekende verontreinigde wolken konden dan over de stafkaarten worden geplaatst die aan de wanden van de commandokamer aanwezig waren van gans Oost-Vlaanderen. Zo kon men dus letterlijk door deze schets en de kaart in overlay te leggen, bepaald worden welke zones eventueel te fel verontreinigd waren, waar men bv beperkt nog mocht blijven en waar bv niets aan de hand was.

Vanaf zijn in gebruikneming kort na 1947 werd allicht vrij snel aanvang genomen met het meten van de radio-activiteit in Oost-Vlaanderen. Dit was een activiteit direct gekoppeld aan de vrees voor een atoomoorlog die volgde uit de dreiging van het Oostlok ten opzichte van het Westen. Dit opvolgen van de radio-activiteit was een permanente taak in de jaren 50, 60, 70 tot half de jaren 80. Dit impliceert dus dat de bunker in die periode permanent bezet en gebruikt was.

Vanaf half jaren 80, was de Civiele Bescherming gevestigd in de Lange Violettenstraat nr 84 te Gent. De bunker was vanaf dan ook niet meer permanent bezet. Hij was wel permanent gebruiksklaar voor als zich een noodsituatie zou voordoen. In het geval van zo een noodsituatie kon het commando direct verplaatst worden naar deze bunker. Ook dient men dit niet altijd meer zuiver te zien als enkel een risico voor radio-activiteit. De bunker kreeg toen ook in feite de functie van commandocentrum bij een zware noodsituatie in Oost-Vlaanderen. Het was een locatie waar de Civiele bescherming zijn commando kon vestigen in een noodsituatie, desnoods volledig op zichzelf zonder stroom van het stadsnet, kon overleven en zijn commando voeren. Het mag dus ook duidelijk zijn dat zaken zoals het gasdichte karakter van de bunker en dergelijke, toen al minder cruciaal waren dan in de ontstaansgeschiedenis en de Duitse bezetting van deze bunker.

Wat wel ondanks dat de bunker dus niet meer permanent was bezet nog gebeurde, waren de simmulatie-oefeningen. Deze werden minimum maandelijks gehouden en konden soms 12, 24 of 36u duren, afhankelijk van het type oefening. Er waren enkel in de maanden juli, augustus en januari geen verplicht georganiseerde oefeningen.

De Operation Room in de bunker van het Citadelpark (Foto: Artikel in het Nieuwsblad van 5/02/1988)

Deze oefeningen gebeurden dan in samenwerking met bv Civiele Bescherming, Rode kruis, Brandweer, Rijkswacht, specifieke Seveso-bedrijven,.. Indien dit een zuivere oefening voor radio-activteit betrof, wist men dus al op voorhand welke resultaten en metingen zouden worden doorgegeven aan de telefonisten wanneer deze contact opnamen. Het was dus op dat moment de kunst na te gaan of men intern de juiste beslissingen nam en men er in slaagde om bij de juiste bron en conclusies uit te komen.

De opleiding van het goed getrainde net van vrijwilligers en hun bijhorend vast kader gebeurde te Graven bij Florival. Ook toen al was het recruteren van vrijwilligers voor de Civiele bescherming al niet evident. Een eerste oog viel altijd op militairen, personeel van NMBS en de dienst telefonie (RTT). Het betrof dus nog altijd vrijwilligerswerk want inhield dat men tegen een lage vergoeding bereid diende te zijn vaak bij nacht en in niet zo gunstige omstandigheden te willen werken voor het goede doel.

Wanneer de vrijwilligers werden opgeroepen voor een actie ontvingen zij wel degelijk hetzelfde loon als de effectief contractueel tewerkgestelde medewerkers van de Civiele bescherming. Ze ontvingen bij indiensttreden als vrijwilliger een contract dat door de band geldig was voor 3 jaar. Hier tegenover stond:

  • De vrijwilligers waren voor hun werk verzekerd tegen ongevallen.
  • Ze verkegen een eigen uniform en interventiekledij.
  • Per jaar dienden ze 25u les en opleiding te volgen. Deze omvatte
    • reddingstechnieken
    • eerste hulp bij ongevallen
    • basisopleiding brandbestrijding
    • hulp bij grote branden, aardbevingen,...
    • administratie gekoppeld aan de eenheid waar men deel van uitmaakte
  • In het geval ze tewerkgesteld waren voor de activiteiten van het detectienet en de alarmcentrale dienden zij elke maand behalve in juli, augustus en januari, deel te nemen aan de maandelijkse oefening in de bunker.
    • Deze vrijwilligers kregen ook bijkomend opleiding over de gevaren van een nucleair, biologisch of chemisch conflict.

Voor de totale werking van deze bunker in dit netwerk voor de opvolging van de Radio-activiteit, beschikte de Civiele Bescherming op Oost-Vlaanderen alleen, over een 200 tal personen die hier specifiek waren voor opgeleid. Dit omvatte dan het geheel van CV-ploegen als de meetploegen.

In de bunker zelf, werd om deze activiteit te kunnen uitvoeren gerekend op een minimumbezetting van 24 personen.

Gebruik van de bunker als onderdeel van het nationaal Burgerlijk alarmnet

De Civiele bescherming was in de bunker buiten het opvolgen van de radio-activiteit ook belast met het organiseren en onderhouden van het burgerlijk alarmnet. De hoofdtaak van deze alarmpost bestond er dan ook in de bevolking op de hoogte te stellen van:
  • Een gekend bestaand gevaar (bv risico's verbonden aan Seveso- bedrijven)
  • Een eenmalig gevaar (een ongeluk met zware gevolgen voor een bepaalde regio)
  • Een dreigend gevaar (zoals bv radio-activiteit).

Ook het einde van het gevaar diende door hen meegedeeld te worden aan de bevolking.

De bediening van de alarmcentrale zoals deze opgesteld was in de bunker in het Citadelpark (Foto: Artikel in het Nieuwsblad van 5/02/1988)

Het meedelen van dit gevaar alsook het afblazen van het risico gebeurde door het laten loeien van alarmsinenes die geplaatst waren op gebouwen zoals openbare gebouwen, scholen, fabrieken,...

Alle sirenes konden normaal aangestuurd worden vanuit de provinciale commandopost in de bunker in Gent. Het aansturen van de alarmen gebeurde door de alarmeringsofficier die zijn functie uitoefende vanuit de bunker in Gent. Al deze sirenes konden in nood ook lokaal in werking gesteld worden.

De toegepaste alarmen waren de volgende:

  • Melding van een dreigend gevaar: Op- en neergaand sirenegeluid gedurende 50 seconden.
  • Melding van onmiddellijk gevaar: 3x herhaald bovenstaand signaal met tussenpauzes van 30 seconden.
  • Einde van een alarmfase: 50 seconden een aanhoudend sirenegeluid.

De uiteindelijke bedoeling was dan dat de bevolking bij het horen van deze signalen uit zichzelf een veilige lokatie zou opzoeken zoals bv een kelder tot het alarm werd afgeblazen.

Om zeker te zijn van de goede werking van deze alarmen werden deze alarmen elke 1e donderdag van de maand getest op hun goede werking. Dit omvatte dan telkens:

  • 12u30 - 50 seconden het aanhoudend alarm normaal gebruikt om het einde van een alarmfase aan te kondigen.
  • 12u35 - 50 seconden het op- en neergaand sirenegeluid gebruikt voor het aankondigen van een alarmfase
  • 12u40 - 50 seconden het aanhoudend alarm om het einde van de test aan te kondigen.

Alle gemeentebesturen dienden na elke test naar de alarmcentrale door te geven dat alle alarmen al dan niet volgens behoren hadden gewerkt. Was dit niet het geval, diende dit opgevolgd te worden en dit alarm zo snel mogelijk hersteld.

Werking van het provinciaal alarmnet Oost-Vlaanderen

Op 1 Januari 1978 waren er 152 sirenes gekoppeld aan het provinciaal alarmnet van Oost-Vlaanderen met als commandocentrum de bunker in het Citadelpark in Gent.

Vanuit de Commandopost in Gent werd contact gehouden met

  • Alarmverspreidingscentrum Gent (nr 26), aansturend:
    • 29 alarmen in Gent zelf
    • Telefoon Middenkantoor Gent - Rooigem - 2 alarmen
    • Telefoon Middenkantoor Moortsele - 2 alarmen
    • Telefoon Middenkantoor Sint Kruis Winkel op zijn beurt aansturend
      • 2 alarmen in Sint Kruis Winkel zelf
      • Satelietstation Aalter - 3 alarmen
      • Satelietstation Eeklo - 8 alarmen
      • Satelietstation Gavere - 2 alarmen
      • Satelietstation Lokeren - 4 alarmen
      • Satelietstation Merelbeke - 2 alarmen
      • Satelietstation Oostakker - 2 alarmen
      • Satelietstation Wondelgem - 4 alarmen
      • Satelietstation Zelzate - 5 alarmen
      • Satelietstation Zottegem - 3 alarmen
      • Satelietstation Aalst zelf aansturend
        • 12 alarmen
        • Satelietstation Denderleeuw - 2 alarmen
        • Satelietstation Ninove - 3 alarmen
    • Telefoon Middenkantoor Geraardsbergen - 2 alarmen
  • Alarmverspreidingscentrum Oudenaarde (nr 10), aansturend
    • 4 alarmen op Oudenaarde zelf
    • Satelietstation Ronse - 6 alarmen
  • Alarmverspreidingscentrum Dendermonde (nr 12) - Dit werd omwille van beschikbare verbindingen aangestuurd door de Provinciale Commandopost van Brabant in opdracht van de Provinciale post van Oost-Vlaanderen.
    • 9 alarmen op Dendermonde zelf (oa ook Grembergen, Oudegem en Baasrode)
    • Telefoon Middenkantoor Zele
      • 2 alarmen op Zele zelf (allicht oa ook Waasmunster)
      • Satelietstation Buggenhout - 5 alarmen (allicht ook Malderen)
      • Satelietstation Hamme - 6 alarmen (oa ook Moerzeke)
      • Satelietstation Schoonaarde - 2 alarmen (allicht oa ook Berlare)
      • (Satelietstation) Lebbeke - allicht 1 alarm
      • (Satelietstation) Wichelen - allicht 1 alarm
  • Alarmverspreidingscentrum Sint Niklaas (nr 25) - Dit werd omwille van beschikbare verbindingen aangestuurd door de Provinciale Commandopost van Antwerpen in opdracht van de Provinciale post van Oost-Vlaanderen.
    • 7 alarmen op Sint Niklaas zelf
    • Telefoon Middenkantoor Sint Gillis Waas
      • 2 alarmen op Sint Gillis Waas en De Klinge
      • Satelietstation Beveren
        • 5 alarmen op Beveren (oa ook Doel, Haasdonk, Kallo en Melsele)
        • Satelietstation Kieldrecht - 4 alarmen
      • Satelietstation Rupelmonde - 3 alarmen
      • Satelietstation Temse - 3 alarmen (oa ook Tielrode)
      • (Satelietstation) Kruibeke - allicht 3 alarmen (oa ook Bazel en Rupelmonde)
      • (Satelietstation) Stekene - allicht 1 alarm
  • Alarmverspreidingscentrum Brugge (nr XX) - Dit werd omwille van beschikbare verbindingen aangestuurd door de Provinciale Commandopost van West-Vlaanderen in opdracht van de Provinciale post van Oost-Vlaanderen.
    • allicht 1 alarm op Maldegem

Schets van gans Oost-Vlaanderen met alle gelinkte locaties uit het Alarmnetwerk, situatie 1983. (Collectie Hervé Pappens)

In 1988 was dit alarmnetwerk al uitgebreid tot 176 geluidsalarmen die van hieruit aangestuurd konden worden. Welke de 22 nog bijkomende alarmen op dat moment waren, is voorlopig niet meer teruggevonden.

Kaart alarmketen (Collectie Hervé Pappens)

Dit is alvast de alarmketen zoals hij was op het einde van het gebruik van de bunker. Men duidde toen ook enkel alles nog aan met driehoekjes. Allicht was ondertussen ook die onderverdeling alarmverspreidingscentra, middenkantoren en satelietstations al grotendeels weggevallen. Elke driehoek zal in sommige gevallen wel nog altijd meerdere alarmen aangestuurd hebben zoals hogerop te lezen.

Wat met de kernramp van Tsjernobyl.

Op 26 April 1986 ontploft in de toenmalige Sovjetunie (heden Oekraine) bij een uit de hand gelopen nucleaire test de 4e kernreactor van Tsjernobyl. Deze ontploffing veroorzaakt tot op heden een van de grootste nucleaire rampen ter wereld. .

De hierbij vrijkomende radio-activteit maakt een zeer grote nucleaire fall-out die ver over de grenzen van de toenmalige Sovjetunie te meten viel. Alleen had men blijkbaar niet even graag dat dit bij het publiek een paniekreactie zou uitlokken en werd de ramp ook hier in België geminimaliseerd qua gevolgen.

Voor ons land trok deze wolk over in het verlengde weekend van 1 op 2 mei 1986

(Foto: Replica)

De vraag die dan telkens in deze context terugkomt, is natuurlijk, werd er dan in België niet gemeten?

In een documentaire gemaakt in 2020 door Jan Balliauw (VRT Journalist en correspondent voor Rusland) krijg je letterlijk van Mevr Miet Smet (toenmalig minister van Leefmilieu en later Mevr Wilfried Martens, toenmalige premier van België) te horen dat die radio-activiteit in België niet courant gemeten of opgevolgd werd.

Vrij beschamend dus als je weet van al het bovenstaande. Probleem is wel dat Tsjernobyl voor België een buitenlandse bron was van radio-actieve dreiging. Gezien de opvolging van de Civiele bescherming viel onder Binnenlandse zaken en een provinciale opvolging betrof, dienden zij hun opdrachten tot opzetten van deze metingen te verkrijgen. Dit meten gebeurden in die periode ook niet meer continu. Zolang deze opdracht er dus van hogerhand, de regering dus, niet was, kon er ook officieel niets opgestart worden. Deze meetopdrachten zijn er dus nooit Officieel gekomen. Voor de regio Oost-Vlaanderen is ondertussen geweten dat bepaalde diensten wel degelijk "niet officieel", want daar hadden ze de opdracht niet toe, is gemeten. Deze metingen zijn nooit doorgestuurd naar het Citadelpark omdat er officieel geen opdracht was metingen op te starten. Het blijft tot op heden een jammer gegeven dat wat toen gemeten werd, nergens terug te vinden valt. Allicht werden hier nochtans op 1 dag de radio-activiteit gemeten die anders op 1 jaar tijd gemeten mocht worden.

Dit wordt ook nog eens pijnlijk bevestigd door toenmalig weerman Armand Pien die enkele uren na de ramp een weerbericht laat uitzenden waarin perfect wordt meegedeeld wat nog mocht en wat niet meer omwille van de te vrezen radio-actieve fall-out. Enkele uren later werd dit weerbericht echter volledig teruggetrokken en vervangen door een volledig nieuw bericht waarin we een volledige good-news show kregen. Er blijkt officieel niets aan de hand. Armand Pien verklaarde letterlijk op zijn sterfbed daar de opdracht te hebben gekregen een veel positiever weerbericht te brengen dan hij eigenlijk had dienen te doen.

Wees gerust, België was blijkbaar niet het enige land die allicht om officieel geen paniek te zaaien, zijn bevolking doelbewust dom hield. Ook in Frankrijk verklaarde President Mitterand dat de radio-activiteit stopte aan de grenzen van Frankrijk.

Allicht is het gebrek aan leiding in deze situatie ook te wijten aan een totaal gebrek aan kennis en weet van wat in ons land op dat moment aanwezig was bij de Civiele bescherming. Het zal altijd een raadsel blijven maar is alvast een zwaar teken van slecht beleid op dat moment in België. Er was, allicht ook gekoppeld aan het verlengde 1 mei-weekend, pas een vergadering over deze noodsituatie in de namiddag terwijl de eerste verontrustende data was ontdekt rond 9u 's ochtends. Allicht beseften heel wat hoog geplaatsten die hier op dat moment over dit thema de leiding hadden, amper de impact van wat daar aan het gebeuren was. Gelukkig voor ons land, bleef het droog en trok de fall-out grotendeels het land over. Had het hier moeten regenen, was de ramp allicht veel groter geweest. Nu is de radio-actieve wolk veel minder hier naar beneden getrokken en enkel overgetrokken.

Het grootste slachtoffers van de radio-actieve fall-out van Tsjernobyl was Wit Rusland dat zeker 70% hiervan te verwerken kreeg. Een ander en veel minder bekend slachtoffer is echter ook Oostenrijk. Niet omwille van de neerslag maar omdat ze gewoonweg hoger gelegen gebieden waren en de radio-actieve wolken gewoon niet over de bergen geraakten. Daar zijn heden ten dage nog altijd gebieden zoals "Spital am Pyhrn" waar tot op heden nog altijd veel te hoge meetwaardes worden gevonden..

De plaats in België waar de radio-activiteit wel degelijk werd vastgesteld, was de kerncentrale van Doel. In alle kerncentrales worden personen gemeten naar aanwezigheid van radio-activteit bij het binnenkomen en buitengaan. Het merkwaardige dat men toen vaststelde in Doel was dat personen die binnenkwamen radio-actiever waren dan deze die buitengingen. Er moest dus buiten wel iets aan de hand zijn.

Ondanks dat alles in feite toen grotendeels onder de mat werd geveegd, kan men niet ontkennen dat het aantal kankers en ook vooral een aantal zeer specifieke, vrij sterk is toegenomen. Dit is nooit officieel aan Tsjernobyl gekoppeld maar de link zal er allicht wel geweest zijn. Nog zo een merkwaardig iets is dat dat bv in het Universiteit Ziekenhuis UZ te Gent, een begrip gekend was als Tsjernobylbaby's en kinderen. Dit waren baby's en kinderen in die periode met ontzettend hevige diarree.

Korte bedenking bij de huidige situatie van de Civiele bescherming.

Of de huidige Civiele bescherming nog veel zeggend is, mocht ondertussen blijken uit een aantal recente rampen. In de meeste omliggende landen worden rampen nog altijd mee opgevolgd door diensten als de Civiele bescherming. In België bestaat deze Civiele bescherming enkel nog als een beperkt aantal Permanente eenheden met zwaar materiaal. Alleen heb je niet altijd heel veel aan dat zwaar materiaal als de "brains" die er zouden dienen bij te horen, ontbreken. Nu merk je steeds dat het meest noodzakelijke soms primitief beschermingsmaterialen ontbreken, de opgeleide interventie-eenheden die vroeger op zeer korte tijd oproepbaar waren en konden inspringen, afgeschaft zijn.

Bijkomend werden ook al heel wat locaties waar de Civiele bescherming afdelingen had mee afgeschaft en opgedoekt, zie bv Liedekerke. Het vroegere vrijwilligersgedeelte van de Civiele bescherming is volledig afgebouwd en er bestaat enkel nog een sterk uitgedund professioneel gedeelte dat zo goed als allen in Brasschaat gelokaliseerd zit. Brasschaat zit dan bijkomend op een rand van het land wat ook niet echt praktisch te noemen is voor iets dat zou dienen te kunnen werken over het ganse land. De enige zinnige reden dat je kan vinden achter het centraliseren van de Civiele bescherming in Brasschaat is het feit dat Mr Jan Jambon er burgemeester is en ook Vlaams Minister voor de Vlaamse regering. Het handelt dus niet over een praktisch iets maar het uiteindelijk het zoveelste prestigeproject is geworden met alle gevolgen vandien..

Bijkomend werden de vroegere taken van de vrijwilligers allen officieel overgedragen aan het Rode Kruis en de Brandweer maar dit zijn diensten die zonder die rampen ook al hun eigen activiteiten en taken hebben en zelfs daarvoor tegenwoordig vaak al onderbemand zitten. Waar zouden deze voor Oost- en West-Vlaanderen het equivalent van 2500 personen (de vroegere vrijwilligers) halen. Ze zitten nu al permanent onderbemand.

Nu gaat men ervan uit dat diensten als het Rode Kruis wel zullen bijspringen. Dit is OK voor specifieke medische hulp aan deze personen en eventueel bv het bedelen van voedsel. Men kan toch echter niet verwachten dat het Rode Kruis zal bijstaan in een rampzone voor bv het helpen met het ruimen van modder of het massaal maken van zandzakken en het leggen hiervan...

Genoeg discussiepunten dus om de huidige werking van de Civiele bescherming serieus te betwijfelen als nog vlot werkend...

Mocht iemand over gelijk welke bijkomende informatie beschikken om deze reportage aan te vullen, blijft dit steeds welkom. Mail mij in dat geval gerust op onderstaande mailadres: info@bunkergordel.be

Graag had ik bij deze onderstaande diensten willen danken voor het mogelijk maken van deze reportage:

  • Mr Hervé Pappens, zelf laatste Provinciale Chef die de bunker nog operationeel wist van na 1986 tot 1995. (Foto rechts)
  • Mr Ghislain Mineur voor zijn zeer vlotte manier van samenwerken als het gaat over het beschikbaar stellen van materiaal en gedachtengoed, het ruilen van waardevolle documentatie.
  • De diensten Stadsarcheologie en Stadsarchief, beiden gevestigd in "De Zwarte Doos", Dulle Grietlaan 12, 9050 Gentbrugge.
  • De Gentse Groendienst voor zijn vlotte medewerking.